DutchEnglishFrenchGerman

Regelgeving

  1. Hierna zal eerst een korte beschrijving gegeven worden van de juridische bevoegdhedenstructuur zoals die op dit moment in de bestrijding van het COVID-19-virus gebruikt wordt.
  1. De basis voor de door de geldende maatregelen is te vinden in de Wet publieke gezondheid (Wpg). CoV-19 is bij ministerieel besluit van 28 januari 2020 aangemerkt als behorende tot groep A, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet publieke gezondheid. In groep A bevinden zich verder: Middle East respiratory syndrome coronavirus (MERS-CoV), pokken, polio, severe acute respiratory syndrome (SARS), virale hemorragische koorts;
  1. De voorzitter van de veiligheidsregio draagt zorg voor de bestrijding van een epidemie van een infectieziekte behorend tot groep A, of een directe dreiging daarvan, en is dan ten behoeve van deze bestrijding bij uitsluiting bevoegd om toepassing te geven aan de artikelen 34, vierde lid47515455 of 56. Dit betreft onder meer de bevoegdheden om een dwangsom op te leggen in geval een isolatie noodzakelijk is. Ook biedt deze bevoegdheid de mogelijkheid om gebouwen, vervoersmiddelen of goederen te controleren op de aanwezigheid van besmettingen, deze te ontsmetten, te sluiten of het gebruik te verbieden en middels dwangsommen af te dwingen.
  1. Artikel 7 lid 1 Wpg bepaalt dat de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (de minister) de leiding heeft bij de bestrijding van een infectieziekte behorende tot groep A. De minister heeft de bevoegdheid om de voorzitter van de veiligheidsregio op te dragen hoe de bestrijding ter hand te nemen, waaronder begrepen het opdragen tot het toepassen van de hiervoor genoemde maatregelen
  1. De minister wordt bijgestaan door het Centrum Infectieziekten (CIb) van het RIVM. Binnen dit centrum is de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI). Deze is bij een uitbraak van infectieziekten verantwoordelijk voor de inhoudelijke advisering van de overheid en professionals over de wijze waarop de uitbraak het beste bestreden kan worden en voor de implementatie van landelijk beleid. Hiertoe wordt een Outbreak Management Team (OMT) geformeerd waarin (medische) professionals zitting hebben. Voordat de adviezen van het OMT toegepast worden, dient de minister eerst het Bestuurlijk Afstemmingsoverleg (BAO) te consulteren. Het BAO wordt voorgezeten door de Directeur-Generaal Volksgezondheid van het ministerie. Hierin hebben ambtenaren van de betrokken ministeries, afgevaardigden van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), GGD, GHOR Nederland, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de directeur CJb en de secretaris van het OMT zitting. De minister draagt uiteindelijk de voorzitters van de veiligheidsregio’s op de door hem besloten maatregelen uit te voeren.
  1. De voorzitters van de veiligheidsregio’s moeten de maatregelen omzetten in bindende besluiten. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de noodbevoegdheden met betrekking tot de openbare orde die de Gemeentewet toekent aan burgemeesters, waaronder artikel 175 en 176. Deze bevoegdheden komen bij de voorzitter van de veiligheidsregio’s te liggen door op grond van artikel 39 Wet veiligheidsregio’s een GRIP 4-situatie uit te roepen. Dit is uitsluitend mogelijk indien geoordeeld wordt dat er sprake is van een (dreigende) ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis waarbij het leven en gezondheid van personen in ernstige mate geschaad of bedreigd wordt. Een crisis is volgens artikel 1 WVR een situatie waarin een vitaal belang van de samenleving geschaad of bedreigd wordt.
  1. De minister heeft deze weg gevolgd maar heeft daarmee zelf geen regelgevende bevoegdheid. De noodverordeningsbevoegdheid van artikel 175 Gemeentewet geeft de voorzitter van de veiligheidsregio’s de bevoegdheid om af te wijken van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften. Dit betekent dat de voorzitter geen bevoegdheid heeft om grondrechten van burgers te beperken. Het handelen in strijd met de bij noodverordening gestelde bepalingen is strafbaar op grond van artikel 443 Sr. De voorzitters hebben geen beleidsvrijheid en dienen de aanwijzingen van de minister op te volgen.
  1. De door de veiligheidsregio’s uitgevaardigde noodverordeningen op basis waarvan de huidige maatregelen geëffectueerd worden, zijn gebaseerd op de Modelnoodverordening COVID-19 van 26 mei 2020. Hoewel de minister een wetsvoorstel heeft ingediend op grond van de Wet buitengewone bevoegdheden om specifieke noodbepalingen een wettelijke basis te geven, is deze tot op heden niet in werking. Hierna zal nog. ingegaan worden op dit wetsvoorstel Deze wet biedt de mogelijkheid om separate noodbepalingen in werking te stellen zonder een algemene of beperkte noodtoestand uit te roepen. Op basis van deze bevoegdheid is het wel mogelijk de in artikel 103 lid 2 Grondwet vastgelegde grondrechten in te perken indien aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan.Productie 29: Modelnoodverordening COVID-19 aanwijzing van 26 mei 2020
  1. De door de voorzitters van de veiligheidsregio’s uitgevaardigde noodverordening (hierna: de noodverordening) bevat de volgende maatregelen:

Hoofdstuk 2. Maatregelen

Artikel 2.1. Verboden samenkomsten

  1. Het is verboden om in voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, dan wel in besloten plaatsen niet zijnde woningen, samenkomsten van meer dan dertig personen, exclusief personeel, te laten plaatsvinden, te organiseren te laten organiseren of te laten ontstaan, dan wel aan dergelijke samenkomsten deel te nemen.
  2. Degene die een samenkomst laat plaatsvinden, organiseert, laat organiseren of laat ontstaan in de publieke ruimte of in een voor het publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet en daarbij behorend erf, een voertuig of vaartuig dan wel een besloten plaats, niet zijnde een woning, draagt er zorg voor dat de aanwezige personen te allen tijde ten minste 1,5 meter afstand tot elkaar kunnen houden.
  3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op de volgende samenkomsten, mits de aanwezigen te allen tijde ten minste 1,5 meter afstand houden tot de dichtstbijzijnde persoon: a. wettelijk verplichte samenkomsten, zoals vergaderingen van gemeenteraden, mits daarbij niet meer dan honderd personen aanwezig zijn [alleen voor VR Haaglanden: , alsook vergaderingen van de Staten-Generaal]; b. samenkomsten die noodzakelijk zijn voor de continuering van de dagelijkse werkzaamheden van instellingen, bedrijven en andere organisaties, waaronder begrepen de organisatie van staatsexamens mits daarbij niet meer dan honderd personen aanwezig zijn en maatregelen zijn getroffen waardoor aanwezigen te allen tijde 1,5 meter afstand kunnen houden tot de dichtstbijzijnde persoon; c. samenkomsten ten behoeve van activiteiten als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, en artikel 2.8; d. bezoek aan winkels en bibliotheken, mits maatregelen zijn getroffen waardoor aanwezigen te allen tijde 1,5 meter afstand kunnen houden tot de dichtstbijzijnde persoon.
  4. Het is tot 1 september 2020 verboden om evenementen te laten plaatsvinden of ontstaan, dan wel aan evenementen deel te nemen.

Artikel 2.1a Dierenparken, natuurparken en pretparken

Het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, is niet van toepassing op samenkomsten in
dierenparken, natuurparken en pretparken, mits:

  1. de aanwezigen te allen tijde ten minste 1,5 meter afstand houden tot elkaar, met
    uitzondering van personen die een gezamenlijk huishouden vormen; en
  2. naar het oordeel van de voorzitter uit een door de beheerder overgelegd plan blijkt dat maatregelen zijn getroffen waardoor aanwezigen te allen tijde 1,5 meter afstand kunnen houden tot de dichtstbijzijnde persoon en de belasting van het mobiliteitssysteem en in het bijzonder het openbaar vervoer acceptabel blijft.

Artikel 2.1b
Musea, presentatie-instellingen en monumenten Het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, is niet van toepassing op samenkomsten in musea, presentatie-instellingen en monumenten met een publieksfunctie, mits: a. de aanwezigen te allen tijde ten minste 1,5 meter afstand houden tot elkaar, met uitzondering van personen die een gezamenlijk huishouden vormen; b. de inrichting op een zodanige manier is georganiseerd dat de aanwezigen te allen tijde 1,5 meter afstand kunnen houden tot de dichtstbijzijnde persoon; en c. bezoek uitsluitend plaatsvindt in een vooraf gereserveerd tijdvak.

Artikel 2.1c
Bioscopen, concertzalen en theaters Het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste en vierde lid, is niet van toepassing op samenkomsten in bioscopen, filmhuizen, concertzalen en podia voor alle genres van muziek en theaters en hiermee vergelijkbare culturele instellingen, mits: a. de aanwezigen te allen tijde ten minste 1,5 meter afstand houden tot elkaar, met uitzondering van personen die een gezamenlijk huishouden vormen; b. bezoekers van tevoren reserveren; c. bezoekers gebruik maken van een zitplaats; en d. per afzonderlijke ruimte niet meer dan 30 bezoekers tegelijkertijd aanwezig zijn waarbij een zichtbaar gescheiden podium als een afzonderlijke ruimte wordt beschouwd.

Artikel 2.1d
Eet- en drinkgelegenheden en binnenterrassen

  1. Het is verboden samenkomsten in eet- en drinkgelegenheden of op een binnenterras, te laten plaatsvinden, te organiseren, te laten organiseren of te laten ontstaan, dan wel aan dergelijke samenkomsten deel te nemen, tenzij,
    1. niet meer dan 30 gasten in de eet- en drinkgelegenheid of op het binnenterras aanwezig
      zijn;
    2. gasten gebruik maken van een zitplaats aan een tafel of bar;
    3. gasten vooraf reserveren; en
    4. de aanwezigen te allen tijde ten minste 1,5 meter afstand houden tot elkaar, met
      uitzondering van personen die een gezamenlijk huishouden vormen
  2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, mogen in eet- en drinkgelegenheden in hotels meer dan 30 gasten aanwezig zijn mits deze gasten allen hotelgasten zijn.
  3. Indien de eet- en drinkgelegenheid is gevestigd in een gebouw zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, waarin naast de eet- en drinkgelegenheid één of meerdere andere zelfstandige functies of andere eet- en drinkgelegenheden zijn gevestigd, is artikel 2.1, eerste lid, niet van toepassing op de eet- en drinkgelegenheid, mits:
    1. deze functies gescheiden zijn van de andere functies of de andere eet- en drinkgelegenheden;
    2. deze functies of de andere eet- en drinkgelegenheden beschikken over een zelfstandige ruimte binnen het gebouw; en
    3. de inrichting in het gebouw zodanig wordt georganiseerd dat bezoekersstromen zoveel mogelijk van elkaar gescheiden zijn en bezoekers van de verschillende functies steeds 1,5 meter afstand kunnen houden.

Artikel 2.1e
Het is verboden samenkomsten op buitenterrassen bij eet- en drinkgelegenheden te laten
plaatsvinden, te organiseren, te laten organiseren of te laten ontstaan, dan wel aan dergelijke
samenkomsten deel te nemen, tenzij:

  1. gasten gebruik maken van een zitplaats aan een tafel;
  2. maatregelen zijn getroffen waardoor: 1°. de aanwezigen altijd 1,5 meter afstand tot elkaar kunnen houden. 2°. de aanwezigen altijd 1,5 meter afstand kunnen houden ten opzichte van aanwezigen op aanpalende terrassen; en 3°. de bezoekersstromen op en rond het terras worden gereguleerd;
  3. de aanwezigen te allen tijde ten minste 1,5 meter afstand houden tot elkaar, met uitzondering van personen die een gezamenlijk huishouden vormen; en d het terras aan de bovenzijde of aan drie zijden open is.

Artikel 2.1f Multifunctionele complexen

  1. Indien in een gebouw zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, meerdere andere zelfstandige functies zijn opgenomen, is het maximum van 30 personen per gebouw niet van toepassing, onder de volgende voorwaarden:
    1. de verschillende functies zijn functioneel van elkaar gescheiden
    2. de verschillende functies beschikken elk over een zelfstandige ruimte binnen het gebouw
    3. per zelfstandige functie niet meer dan 30 personen, exclusief personeel, aanwezig zijn, tenzij deze verordening voor die functie een hoger aantal personen toestaat; en
    4. de inrichting in het gebouw wordt zodanig georganiseerd dat bezoekersstromen zoveel mogelijk van elkaar gescheiden zijn en bezoekers van de verschillende functies steeds 1,5 meter afstand kunnen houden. 2. Dit artikel is niet van toepassing op zalencentra of –complexen.

Artikel 2.2 Verbod niet in acht nemen veilige afstand

  1. Het is verboden zich in de publieke ruimte te bevinden zonder tot een andere persoon een afstand te houden van ten minste 1,5 meter
  2. Het verbod, bedoeld in het vorige lid, is niet van toepassing:
    1. op personen die een gezamenlijk huishouden vormen;
    2. als het de afstand tot kinderen tot en met 12 jaar betreft;
    3. bij de uitoefening van contactberoepen;
    4. op een persoon met een handicap en diens begeleiders;
    5. op personen van 13 tot en met 18 jaar die georganiseerd en begeleid doorsportverenigingen of professionals buiten sporten en bewegen.
  3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is in de uitvoering van jeugdhulp niet van toepassing op kwetsbare jongeren in de leeftijd van 13 tot en met 18 jaar onderling en op kwetsbare jongeren en jeugdhulpverleners onderling.

Artikel 2.3 Verboden openstelling inrichtingen

  1. Het is verboden om een van de volgende inrichtingen voor publiek geopend te houden:
    1. eet- en drinkgelegenheden bij de onder b tot en met f genoemde inrichtingen met uitzondering van eet- en drinkgelegenheden bij buitensportvoorzieningen die worden geëxploiteerd door een commerciële rechtspersoon, bij instellingen voor topsport en bij zwemgelegenheden;
    2. sport- en fitnessgelegenheden;
    3. sauna’s;
    4. seksinrichtingen;
    5. coffeeshops
    6. casino’s, speelhallen en daarmee vergelijkbare inrichtingen.
  2. Het is verboden een in een eet- en drinkgelegenheid aanwezige dansvoorziening geopend te houden voor publiek
  3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op:
    1. inrichtingen waar buiten sporten of bewegen mogelijk wordt gemaakt, mits de beheerder maatregelen heeft getroffen waardoor de aanwezigen altijd 1,5 meter afstand tot elkaar kunnen houden en de gemeenschappelijke was- en douchevoorzieningen gesloten houdt;
    2. instellingen voor topsport, mits de beheerder maatregelen heeft getroffen waardoor de aanwezigen altijd 1,5 meter afstand tot elkaar kunnen houden en de gemeenschappelijke was- en douchevoorzieningen gesloten houdt;
    3. zwemgelegenheden voor sport en bewegen in water, mits de beheerder maatregelen heeft getroffen waardoor de aanwezigen altijd 1,5 meter afstand tot elkaar kunnen houden en de gemeenschappelijke was- en douchevoorzieningen gesloten houdt.
  4. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing indien uitsluitend sprake is van verkoop, aflevering of verstrekking van eten, drinken, softdrugs of producten voor gebruik anders dan ter plaatse, mits de exploitant maatregelen heeft getroffen waardoor de aanwezigen altijd 1,5 meter afstand tot elkaar kunnen houden en de duur van hun verblijf in de inrichting zoveel mogelijk wordt beperkt

Artikel 2.4 Uitoefening contactberoepen

  1. Beoefenaren van contactberoepen of de beheerders van inrichtingen waar contactberoepen worden uitgeoefend dienen maatregelen te treffen om 1,5 meter afstand te garanderen tussen klanten of bezoekers onderling
  2. Het is sekswerkers verboden om hun beroep uit te oefenen

Artikel 2.5 Verboden gebieden en locaties

  1. Het is verboden zich te bevinden in door de voorzitter aangewezen gebieden en locaties. De voorzitter kan het verbod beperken tot bepaalde tijdvakken.
  2. Dit verbod is niet van toepassing op:
    1. bewoners van woningen die zijn gelegen in het gebied of de locatie;
    2. personen die in het gebied of de locatie noodzakelijke werkzaamheden verrichten.

Artikel 2.5a Sanitaire voorzieningen

  1. Het is verboden sanitaire voorzieningen in de vorm van gemeenschappelijke toilet-, was- en douchevoorzieningen bij vakantieparken, kampeerterreinen en kampeerveldjes geopend te houden.
  2. Het is verboden sanitaire voorzieningen in de vorm van gemeenschappelijke was- en douchevoorzieningen bij jachthavens geopend te houden.

Artikel 2.6 Inrichting en beëindiging voorziening openbaar vervoer

  1. Vervoerders richten voorzieningen voor openbaar vervoer en de Waddenveren [alleen voor de betreffende veiligheidsregio’s] zodanig in en nemen daarmee samenhangende maatregelen, zodat reizigers in staat worden gesteld zoveel mogelijk een afstand van tenminste 1,5 meter ten opzichte van alle andere in de voorzieningen aanwezige personen in acht te nemen en reizigers van 13 jaar en ouder een niet-medisch mondkapje dragen in voertuigen en vaartuigen.
  2. De voorzitter kan na overleg met de vervoerder voorzieningen voor openbaar vervoer en de Waddenveren beëindigen of beperken, indien:
    1. de inrichting van deze voorzieningen en de daarmee samenhangende maatregelen reizigers niet of onvoldoende in staat stelt zoveel mogelijk een afstand van tenminste 1,5 meter ten opzichte van alle andere in de voorzieningen aanwezige personen in acht te nemen en het dragen van een mondkapje door reizigers van 13 jaar en ouder niet in acht wordt genomen; en
    2. de beëindiging van deze voorziening het transport van personen die werkzaam zijn in vitale processen of transport dat anderszins noodzakelijk is voor de mobiliteit van Nederland niet onnodig belemmert.

Artikel 2.7 Verboden openstelling onderwijsinstellingen

  1. Het is verboden om onderwijsactiviteiten te verrichten in onderwijsinstellingen.
  2. Dit verbod is niet van toepassing op:
    1. scholen voor speciaal onderwijs, voor speciaal basisonderwijs, locaties voor
      basisonderwijs verbonden aan asielzoekerscentra en locaties voor basisonderwijs
      uitsluitend voor nieuwkomers
    2. scholen voor basisonderwijs waarbij geldt dat leerlingen tot en met 7 juni 2020 voor
      ten minste de helft van de reguliere onderwijstijd naar school kunnen gaan en vanaf 8
      juni 2020 voor de reguliere onderwijstijd
    3. de organisatie van onderwijs op afstand, waarbij studenten en leerlingen via een (digitaal) medium onderwijs krijgen in de thuissituatie;
    4. de opvang van kinderen van ouders die werken in cruciale beroepen of voor vitale processen
    5. de organisatie van toetsing en examens mits zorgvuldige maatregelen zijn getroffen om het risico van besmetting te beperken;
    6. kleinschalig georganiseerde opvang of begeleiding van leerlingen voor wie
      vanwege bijzondere problematiek of moeilijke thuissituatie maatwerk nodig is; en
    7. scholen bij een open of gesloten residentiële instelling;
    8. scholen voor voortgezet speciaal onderwijs;
    9. scholen voor voortgezet onderwijs waarbij de onderwijsinstellingen de leerlingen verzoeken het openbaar vervoer te mijden en zorgvuldige maatregelen treffen om het risico van besmetting te beperken, waaronder maatregelen om 1,5 meter afstand houden tussen alle aanwezige personen 3. Onderwijsinstellingen werken tot en met 7 juni 2020 mee aan openstelling ten behoeve van opvang of begeleiding als bedoeld in het tweede lid, onderdelen d en f

Artikel 2.8 Verboden openstelling kinderopvang

  1. Het is verboden om opvang te bieden in verblijven voor kinderopvang of als gastouder
  2. Dit verbod is niet van toepassing op:
    1. de opvang van kinderen van ouders die werken in cruciale beroepen of voor vitale processen
    2. de opvang van kinderen van 0 tot 4 jaar voor wie vanwege bijzondere problematiek of moeilijke thuissituatie maatwerk nodig is;
    3. de opvang van kinderen van 0 tot 4 jaar in verblijven voor kinderopvang en voor opvang van kinderen van 0 tot 12 jaar bij een gastouder;
    4. de opvang van kinderen van 4 tot en met 12 jaar in verblijven voor kinderopvang, die op dezelfde dag ook naar school mogen volgens artikel 2.7, tweede lid, onder a of
    5. 3. Organisaties voor kinderopvang werken mee aan openstelling ten behoeve van opvang als bedoeld in het tweede lid. Medewerking hoeft niet te worden verleend als de beroepskrachtkindratio in de zin van de Wet kinderopvang wordt overschreden, doordat opvang geboden moet worden aan kinderen waarvoor de kinderopvang geen gecontracteerde opvang behoeft te leveren

    Artikel 2.9 Verboden toegang verpleeghuizen en woonvormen ouderenzorg
    Het is verboden om zonder toestemming van de beheerder aanwezig te zijn in:

    1. een instelling die zorg als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet langdurige zorg verleent aan personen die daarop recht hebben vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking;
    2. een woonsituatie waarin minimaal drie bewoners verblijven vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking en zorg ontvangen als bedoeld in artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg.

Terug naar index

Meld je aan voor de nieuwsbrief