DutchEnglishFrenchGerman

Toetsingskader inbreuken EVRM en grondrechten

  1. De in de noodverordening opgenomen maatregelen vormen vergaande beperkingen van de uitoefening van talrijke in mensrechtenverdragen en de Grondwet opgenomen vrijheden en rechten. Zo worden bijvoorbeeld kerkdiensten getalsmatig beperkt maar ook het recht op vereniging, vergadering en betoging zijn vergaand ingeperkt. Hier zal de vraag beantwoord worden aan welke criteria voldaan moet zijn om in een uitzonderingstoestand af te wijken van deze grondrechten
  1. De maatregelen zijn volgens de voorzitters van de veiligheidsregio’s ook van kracht in thuissituaties. In de praktijk is gebleken dat ook daadwerkelijk gehandhaafd wordt tegen samenkomsten in de privéomgeving. Dit is een regelrechte inbreuk op het grondwettelijk beschermde recht op persoonlijke levenssfeer en huisrecht. Andere grondrechten die door de noodverordeningen getroffen worden, zijn het ongestoorde genot van zijn eigendom en het recht op onderwijs die gewaarborgd zijn onder andere in het Eerste Protocol bij het EVRM van 20 maart 1952. Ook het in artikel 12 EVRM en het Europese Handvest beschermde recht om te werken en op vrije beroepsuitoefening zijn door de maatregelen vergaand beperkt.
  1. Gezien de onduidelijke redactie van de bepalingen in de Verordeningen is er ook sprake van schending van het in artikel 16 grondwet en 7 EVRM vastgelegde legaliteitsbeginsel
  1. Problematisch is dat de beperkingen op dit moment geregeld zijn met door de voorzitters van de veiligheidsregio’s uitgevaardigde noodverordeningen. Artikel 176 Gemeentewet bepaalt dat bij gebruikmaking alleen van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften mag worden afgeweken. Artikel 103 lid 2 Grondwet bepaalt van welke grondrechtbepalingen afgeweken kan worden in een uitzonderingstoestand. Van het recht op vereniging en demonstratie mag bijvoorbeeld niet afgeweken worden. De Grondwet eist hiervoor een volledig uitgewerkte basis van de Staten-Generaal. Deze beperkingen dienen, zeker nu de maatregelen langer duren, bij noodwet op basis van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (Wbbbg) geregeld te worden
  1. In bepaalde situaties kan het verdedigbaar zijn om bij een botsing van grondrechten de plicht om de bevolking te beschermen zwaarder te laten wegen. Dit is een afweging die uitsluitend gemaakt kan worden in een specifieke rampsituatie waarbij het leven en gezondheid van veel personen in ernstige mate zijn geschaad of worden bedreigd. Ook het Europese Hof voor de Rechten van de Mens geeft enige speelruimte:17“It falls in the first place to each Contracting State, with its responsibility for ‘the life of [its] nation’, to determine whether that life is threatened by a ‘public emergency’ and, if so, how far it is necessary to go in attempting to overcome the emergency. By reason of their direct and continuous contact with the pressing needs of the moment, the national authorities are in principle in a better position than the international judge to decide both on the presence of such an emergency and on the nature and scope of derogations necessary to avert it. In this matter Article 15 § 1 (…) leaves those authorities a wide margin of appreciation.”
  1. Het EHRM stelt echter wel duidelijke grenzen aan deze margin of appreciation. Elke inperking van de door het verdrag gewaarborgde rechten onder artikel 15 EVRM must have a clear basis in domestic law in order to protect against arbitrariness and must be strictly necessary to fighting against the public emergency. Verder stelt het EHRM onder meer volgende beperkingen:
    1. The main purpose of the state of emergency regime (or alike) is to contain the development of the crisis and return, as quickly as possible, to the normality.18 The principle of necessity requires that emergency measures must be capable of achieving their purpose with minimal alteration of normal rules and procedures of democratic decision-making
  1. Het inzetten van grondrechtbeperkende maatregelen kan dus uitsluitend plaatsvinden in geval van zeer exceptionele omstandigheden waarbij dit strikt noodzakelijk is ter handhaving van uitof inwendige veiligheid. Van exceptionele omstandigheden is sprake wanneer er feitelijke gebeurtenissen voordoen die tot toepassing van noodwettelijke bevoegdheden nopen omdat de wettelijke bevoegdheden tekortschieten.
  1. Om te bepalen of de geldende maatregelen de toets van het EHRM kunnen doorstaan, dienen volgende vragen beantwoord te worden:
    1. Op welke wijze vindt de besluitvorming plaats?
    2. Wat is het doel van de maatregelen?
    3. Zijn de maatregelen geschikt om het doel te bereiken?
    4. Subsidiariteit: zijn er minder ingrijpende middelen beschikbaar om dit doel te bereiken?
    5. Zijn de maatregelen proportioneel, is het middel niet erger dan de kwaal?

Terug naar index

Meld je aan voor de nieuwsbrief