DAGVAARDING RIVM

Ten verzoeke van:

1. De Stichting VIRUSWAARHEID.NL, gevestigd te Rotterdam;
2. WILLEM ENGEL, wonende te Rotterdam;
3. JEROEN SEBASTIAAN POLS, wonende te Vogelenzang.

allen voor deze zaak woonplaats kiezende op het kantoor van Lexion Advocaten te 4811 VC Breda aan de Nieuwe Prinsenkade 10, van welk kantoor de advocaat mr. G.C.L. van de Corput, voor deze zaak tot advocaat wordt gesteld,

heb ik,

KRACHTENS DE DAARTOE VERSTREKTE LAST VAN DE VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING GEDAGVAARD

1. de publieke rechtspersoon Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) (verder ook te noemen: ‘het (het RIVM), ingeschreven in het Handelsregister van de Kamers van Koophandel onder nummer 00000723596 MA) Bilthoven aan de Antonie van Leeuwenhoeklaan 9 te Bilthoven en aldaar kantoorhoudende;

2. DE OPENBARE RECHTSPERSOON DE STAAT DER NEDERLANDEN, in het bijzonder het Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport, waarvan de zetel is gevestigd te ’s-Gravenhage, ex artikel 48 Rv. mijn exploot doende aan het parket van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden gevestigd te (2514 CV) aan de Kazernestraat nr. 52 en afschrift dezes latende aan:

OM:
Op XXX tweeduizendtwintig, des ochtend te XX uur, in persoon of vertegenwoordigd door een advocaat, te verschijnen in kort geding ten overstaan van de Voorzieningenrechter bij de Rechtbank Midden Nederland, locatie Utrecht aan het adres Vrouwe Justitiaplein 1 (3511 EX) Utrecht

AANZEGGINGEN

Daarbij heb ik gedaagde het volgende aangezegd:

a. indien een gedaagde niet in persoon en evenmin vertegenwoordigd door een advocaat op de terechtzitting verschijnt en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, de rechter verstek tegen die gedaagde zal verlenen en de hierna omschreven vordering zal toewijzen, tenzij deze hem of haar onrechtmatig of ongegrond voorkomt;

b. indien ten minste één van de gedaagden in persoon of bij advocaat ter terechtzitting is verschenen, tussen alle partijen één vonnis zal worden gewezen, dat als één vonnis op tegenspraak wordt beschouwd;

c. bij verschijning in het geding van ieder van de gedaagden een griffierecht zal worden geheven, te voldoen binnen vier weken te rekenen vanaf het tijdstip van verschijning;

d. de hoogte van de griffierechten is vermeld in de meest recente bijlage behorend bij de Wet griffierechten burgerlijke zaken, die onder meer is te vinden op de website: www.kbvg.nl/griffierechtentabel;

e. van een persoon die onvermogend is, een bij of krachtens de wet vastgesteld griffierecht voor onvermogenden wordt geheven, indien hij/zij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd

f. Gedaagde partij wordt verzocht uiterlijk twee werkdagen voor de zitting bij voorkeur per e-mail (akg.rb.utrecht@rechtspraak.nl) een conclusie van antwoord te zenden. Partijen hebben in eerste termijn een spreektijd van twintig minuten.

1) een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem/haar zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag, bedoeld in artikel 24, tweede lid van de Wet op de rechtsbijstand, dan wel,

2) een verklaring van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel 3, van de Wet op de rechtsbijstand, waaruit blijkt dat zijn/haar inkomen niet meer bedraagt dan de inkomens bedoeld in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 35, tweede lid, van die wet.

f. van gedaagden die bij dezelfde advocaat verschijnen en gelijkluidende conclusies nemen of gelijkluidend verweer voeren, op basis van artikel 15 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht wordt geheven.

TENEINDE:
alsdan en aldaar namens eisers te horen eis doen en concluderen als volgt:

Inleiding

1. Op 27 februari 2020 is in Nederland de eerste besmetting van COVID-19 vastgesteld. Nadat de WHO op 11 maart 2020 de uitbraak als pandemie kwalificeerde, zijn landen wereldwijd overgegaan tot het nemen van drastische maatregelen in een omvang zonder precedent in de moderne geschiedenis.

2. Ook in Nederland leidde de uitbraak tot rigoureuze maatregelen waarbij het maatschappelijke verkeer nagenoeg stilgelegd is door het sluiten van scholen, universiteiten, bibliotheken, musea, bioscopen, restaurants cafés, sportscholen en kapperszaken. Daarnaast zijn zware beperkingen opgelegd aan de bewegingsvrijheid van de bevolking waardoor ook het niet gesloten deel van de samenleving slechts beperkt kan functioneren.

3. De maatregelen en de uitzonderlingsituatie duren voort terwijl minister De Jonge in beantwoording van Kamervragen inmiddels erkent dat het overlijdensrisico van het virus vergelijkbaar is met een middelmatig griepvirus. Ook het RIVM erkende in de Kamer dat het virus voor 98% van de bevolking niet gevaarlijk is. De door de maatregelen veroorzaakte schade is in zowel economische, menselijke, sociaal en maatschappelijke opzicht niet meer te overzien. Het functioneren van de democratische rechtsstaat is vergaand ingeperkt en de grondrechten van burgers zijn op grote schaal buiten werking gesteld.

4. Het RIVM heeft een Outbreak Management Team samengesteld dat regelmatig met adviezen aan de regering komt. Deze adviezen zijn steeds leidend geweest bij vervolgbesluiten. Daarmee is dit land sinds maart feitelijk bestuurd door het RIVM.

5. De besluitvorming is in al haar facetten dusdanig ondeugdelijk dat deze een flagrante inbreuk vormen op door het EVRM beschermde fundamentele mensenrechten. De besluitvorming is niet transparant en ontbeert elke onderbouwing van het doel en de effectiviteit van de maatregelen. Een proportionaliteits- en subsidiariteitsanalyse ontbreekt. Eisers hebben op deze gronden een kort geding gevoerd tegen de Staat met het doel de maatregelen te beëindigen. De inhoud van deze dagvaarding kan hier als herhaald ingevoegd beschouwd worden (hierna te noemen: ”de dagvaarding”).

Productie 1: dagvaarding kort geding

6. Eisers bereiden een bodemprocedure voor tegen de Staat. De nadruk hierbij ligt op de ondoorzichtige en onbegrijpelijke besluitvormingsprocessen. Het RIVM weigert tot op heden elke openheid van zaken te geven over de voor het beleid cruciale vragen. Hiermee handelt de Staat en in het bijzonder het RIVM onrechtmatig. Eisers zijn thans genoodzaakt om deze middels een exhibitievordering ex artikel 843a Rv overlegging van bewijsmiddelen te vorderen.

7. Hierna volgt eerst een overzicht van de adviezen van het OMT op basis waarvan het beleid vormgegeven is. Hieruit volgt dat het OMT feitelijk het beleid bepaalt. Daarna volgt een onderbouwing van de onrechtmatigheid gevolgd door een overzicht van vragen die in verband hiermee te beantwoorden zijn en de daarvoor noodzakelijke gegevens en stukken.

Adviezen OMT vanaf 15 maart 2020

8. Op 24 januari 2020 is er een Outbreak Management Team samengeroepen. Dit door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) samengestelde team van experts adviseert het ministerie van Volksgezondheid over het virus en eventueel te nemen maatregelen. Bij ministerieel besluit van 28 januari 2020 is het novel coronavirus (2019-nCoV) aangemerkt als behorende tot groep A, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet publieke gezondheid. Dit besluit werd op 31 januari 2020 in de Staatscourant gepubliceerd.

Productie 2: ministerieel besluit 28 januari 2020

9. In een brief van 14 februari 2020 deelt de minister voor Medische Zorg mede dat er nog geen besmettingen in Nederland aangetroffen zijn. Het doel van het huidige beleid is om verspreiding binnen Nederland te voorkomen als een incidentele introductie zich aandient.

Productie 3: brief 14 februari 2020

10. In een brief van de minister voor Medische Zorg aan de Tweede Kamer van 6 maart 2020 zijn personen in Noord-Brabant met ziekteverschijnselen opgeroepen zoveel mogelijk thuis te blijven en afstand te houden van andere mensen.

Productie 4: brief 6 maart 2020

11. Bij brief van 13 maart 2020 informeert de minister van Justitie en Veiligheid de Kamer dat er een nationale crisisstructuur ingericht wordt bij de aanpak van brede maatschappelijke consequenties van de uitbraak COVID-19 (coronavirus) in overeenstemming met het Instellingsbesluit Ministeriële Commissie Crisisbeheersing 2016 (Stcrt. 2016, nr. 48258) en het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming.

Productie 5: brief aan de Kamer van 13 maart 2020

12. Nadat het aantal besmettingen oploopt, adviseert de minister-president in een persconferentie van 9 maart 2020 iedereen om hygiënemaatregelen na te leven en zoveel mogelijk thuis te werken. Vanaf 11 maart 2020 zijn in de provincie Brabant bijeenkomsten van meer dan 1000 personen verboden. In een persconferentie van de minister-president op 12 maart 2020 worden verdere maatregelen aangekondigd waaronder een verbod op evenementen van meer dan 100 personen. Dit verbod geldt ook voor activiteiten in de culturele sector als concerten, bioscopen en muziekevenementen.

13. Op 15 maart 2020 wordt de grens van 1000 doden met COVID-19 overschreden. Het OMT komt met een aanvullend advies Het doel is advies te geven over aanvullende maatregelen voor heel Nederland gericht op het in standhouden van goede zorg voor ernstig zieken en mensen uit de voor coronavirusinfecties kwetsbare groepen. Het OMT adviseert niet om de scholen te sluiten. Op deze zondag werd om ongeveer half zes ’s middags bekendgemaakt dat alle eet- en drinkgelegenheden (behalve die in hotels), sport- en fitnessclubs, sauna’s, seksclubs en coffeeshops vanaf 18.00 uur die dag dienden te sluiten.

Productie 6: advies OMT 15 maart 2020

14. Het kabinet besluit om vanaf 16 maart 2020 toch maar alle scholen en kinderdagverblijven te sluiten. Het gaat daarbij om scholen in het basis- en voortgezet onderwijs en mbo. Kinderen van personen in wat “cruciale beroepen” genoemd wordt, zoals die in de zorg, politie, openbaar vervoer en brandweer krijgen nog wel les, zodat hun ouders of verzorgers aan het werk kunnen blijven. Iedereen wordt opgeroepen om 1,5 meter afstand van elkaar te houden. De volgende dag zijn enkele regels versoepeld. Zo mogen afhaalrestaurants wel openblijven, evenals coffeeshops, zolang men maar na het ophalen van de bestelling weer vertrekt. Als doel van het beleid wordt genoemd het verkrijgen van groepsimmuniteit.

Productie 7: Toespraak minister-president 16 maart 2020

15. Op 17 maart 2020 komt het OMT in een vervolgadvies met verdere aanbevelingen. Op dit moment zijn er 6.507 gemelde doden met COVID-19 in Europa. De epidemiologische ontwikkelingen suggereren dat de aantallen besmette personen en ziekenhuisopnamen verder zullen oplopen. In dat geval zou de zorg onder druk komen te staan. Er is onvoldoende testcapaciteit beschikbaar zodat slechts selectief getest wordt onder zorgpersoneel. Het testen van patiënten met een verhoogd risico op een ernstig beloop heeft volgens het OMT geen meerwaarde voor de beoordeling van een vervolgbehandeling. Het OMT adviseert verder om dagelijks via de ziekenhuisdirecties gegevens te verzamelen over aantallen personen die met COVID-19 opgenomen zijn in een ziekenhuis of op een intensive care (IC) alsmede de aantallen ontslagen en overleden patiënten.

Productie 8: OMT-advies 17 maart 2020

16. In een advies van 23 maart 2020 van het OMT volgen aanvullingen op de eerdere maatregelen en worden opnieuw verdere maatregelen geadviseerd. Het OMT adviseert onder meer om tot 1 juni 2020 alle evenementen af te gelasten onafhankelijk van het aantal deelnemers. Op basis van dit advies kondigt de minister-president verdere maatregelen af waarbij deze toestand een intelligente lockdown genoemd wordt. De grondslag voor deze maatregelen is op dit moment nog niet vastgelegd in noodverordeningen. De volgende maatregelen worden doorgevoerd:

1. Evenementen met een vergunnings- en meldplicht worden verboden tot 1 juni 2020.
De maatregelen genoemd onder 2 t/m 7 zullen uiterlijk 6 april 2020 worden heroverwogen.

2. Alle overige samenkomsten worden verboden, waarbij enkele uitzonderingen gelden:
a. wettelijk verplichte samenkomsten (max 100 personen), zoals vergaderingen van de gemeenteraad als ook de Staten-Generaal
b. samenkomsten die nodig zijn voor de continuering van de dagelijkse werkzaamheden van instellingen, bedrijven en andere organisaties (max 100 personen);
c. uitvaarten en huwelijksvoltrekkingen (max 30 personen);
d. samenkomsten van religieuze of levensbeschouwelijke aard (max 30 personen).

Bij deze samenkomsten geldt dat deze alleen mogen doorgaan als alle hygiënemaatregelen ter bestrijding van het coronavirus in acht worden genomen en men 1,5 meter afstand tot elkaar kan houden.

3. Casino’s, speelhallen en daarmee vergelijkbare instellingen worden gesloten. Ook zaken waar op de uiterlijke verzorging gerichte contactberoepen worden uitgeoefend zoals kapperszaken en nagelsalons moeten hun deuren sluiten.

4. Het uitoefenen van alle vormen van contactberoepen wordt verboden, voor zover er geen 1,5 m afstand tot de klant gehouden kan worden. Hierbij kunt u denken aan masseurs, kappers, nagelstylisten, escort-services en rijinstructeurs. Er wordt een uitzondering gemaakt voor de behandeling van (para)medische beroepen, mits daar een individuele medische indicatie voor bestaat en de beoefenaar alle hygiënevereisten kan naleven.

5. Winkels en markten moeten gesloten worden en openbaar vervoer beëindigd als er geen of te weinig navolging wordt gegeven aan de geldende hygiënemaatregelen en de 1,5 m afstand.

6. Locaties zoals vakantieparken, campings, parken, natuurgebieden en stranden moeten worden gesloten als op deze locaties geen of te weinig navolging wordt gegeven aan de geldende hygiënemaatregelen en aan de 1,5 m afstand of dit dreigt te gebeuren.

7. Groepsvorming (al dan niet toevallig) in de publieke ruimte wordt verboden. Onder een groep verstaat het kabinet drie of meer personen die daarbij geen afstand van 1,5 m houden. Er is geen sprake van groepsvorming als het gaat om personen die een gezamenlijk huishouden vormen. Er is ook geen sprake van groepsvorming als kinderen tot en met 12 jaar samenspelen onder toezicht van een of meer ouders of voogden. Mits de ouders en/of voogden onderling 1,5 m afstand bewaren.

Productie 9: advies OMT 23 maart 2020
Productie 10: nieuwsbericht aanvullende maatregelen 23 maart 2020
Productie 11: antwoorden minister op Kamervragen 30 maart 2020

17. Naar aanleiding van de aangekondigde maatregelen schalen de veiligheidsregio’s op naar GRIP 4. Op basis van artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s komen verschillende bevoegdheden van burgemeesters exclusief bij de voorzitter van de Veiligheidsregio’s te liggen. In navolging hiervan is per veiligheidsregio op 17 maart 2020 de Noodverordening COVID-19 afgekondigd.

Productie 12: brief Veiligheidsregio 24 maart 2020
Productie 13: voorbeeld noodverordening 17 maart 2020 veiligheidsregio’s

18. Op 6 april 2020 is een wetsvoorstel met tijdelijke voorzieningen ingediend bij de Tweede Kamer om voorprocedures bij gedelegeerde wetgeving met betrekking tot COVID-19 buiten werking te stellen. Dit houdt in dat bij algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen voorgeschreven advies- en overlegronden overgeslagen kunnen worden. Ook is aan de leden van de Staten-Generaal of een van de Kamers de mogelijkheid ontnomen om te eisen dat bepaalde onderwerpen bij wet worden geregeld. Verder is de mogelijkheid gecreëerd om rechtszittingen door middel van telecommunicatieverbindingen af te doen.

Productie 14: wetsvoorstel en advies Raad van State 6 april 2020

19. Het OMT komt op 6 april 2020 met een vervolgadvies. Het doel van dit advies is om verdere verspreiding van het virus te beperken en het verminderen van de druk op de IC’s. Er zou een afvlakking hebben plaatsgevonden van nieuwe ziekenhuisopnames. De piek van nieuwe IC-opnames lijkt bereikt te zijn. Vanwege de vertraagde uitstroom is de piek van de totale bezetting van de IC’s nog niet bereikt. De rapportagevertraging zorgt ook voor onzekerheid in de berekening van het reproductiegetal (R0). Het OMT verwacht dat de maatregelen voorlopig niet afgeschaald kunnen worden. De transitiestrategie wordt gebaseerd op drie pijlers:

 Het vaststellen van een acceptabele belasting van de IC’s en ziekenhuiszorg over een langere periode;
 Het optimaliseren van de herkenning van coronavirusinfecties van contactopsporing en contactnotificatie;
 Bescherming van kwetsbare groepen in de samenleving.

20. Het OMT adviseert om het bestrijdingsbeleid te richten op het beperken van het aantal mensen dat ziek wordt, opgenomen moet worden in het ziekenhuis en IC’s en dat overlijdt door het virus. Hiertoe moet het R0-getal onder de 1 blijven. Het OMT stelt dat de maatregelen afgeschaald kunnen worden als:

 De R0, afgemeten aan ziekenhuisopnames, geruime tijd kleiner is dan 1;
 Het zorgsysteem, IC’s inbegrepen, niet langer overvraagd is en de kans heeft zich te herstellen;
 Er voldoende testcapaciteit is;
 Er voldoende capaciteit en mogelijkheden voor bron- en contactopsporing beschikbaar zijn, inclusief de capaciteit om grote datastromen te analyseren ook op regionaal niveau;
 Er meetinstrumenten beschikbaar zijn die de effecten van de transitie snel op kunnen pikken, zoals een voldoende gevoelige virologische sentinel surveillance.

21. Verder adviseert het OMT om zo snel mogelijk de mogelijkheden voor ondersteuning van bron-en contactopsporing met behulp van mobiele applicaties te onderzoeken. Het OMT acht dit noodzakelijk voor de toekomstige fase. De 1,5-meter regel blijft volgens het OMT belangrijk en kan pas afgeschaald worden als de viruscirculatie met zekerheid sterk onderdrukt is en snelle herkenning van ziektegevallen en hun contacten gegarandeerd kan worden.

Productie 15: advies OMT 6 april 2020

22. De Nederlandse Zorgautoriteit waarschuwt in een analyse dat er een stuwmeer ontstaat van ruim 361.000 patiënten in de reguliere ziekenhuiszorg die sinds de aanvang van de maatregelen niet meer behandeld worden.

Productie 16: Analyse gevolgen van de gevolgen van de coronacrisis voor de
reguliere zorg

23. Het OMT produceert op 20 april 2020 een vervolgadvies voor een acceptabele belastbaarheid van de zorg waarin zowel COVID-19-patiënten als reguliere zorg geleverd kan worden. Daarnaast is het beschermen van kwetsbare mensen in de samenleving en het zicht en inzicht houden op de ontwikkeling van de verspreiding van het virus als doel gesteld. Het effectieve reproductiegetal (Reff) is volgens het OMT al sinds 16 maart kleiner dan 1. Dit zou een indicator zijn dat de maatregelen werken. Een betrouwbare schatting is volgens het OMT echter niet te geven vanwege de rapportagevertraging in de registraties. De verwachting van het OMT is dat rond 1 mei de IC-bezetting van 700 COVID-19-bedden in zicht komt. Het OMT adviseert de doelen van de transitiestrategie als volgt vast te stellen:

 Voorkomen dat het virus zich verspreidt onder kwetsbare personen om het aantal ernstig zieke personen te beperken;
 Voorkomen dat het zorgsysteem overbelast wordt. De IC-bezetting dient teruggebracht te zijn naar 700 bedden rond 1 mei 2020;
 Beperk zoveel mogelijk de schadelijke gevolgen van maatregelen voor de bevolking en maatschappij;
 Behoud breed draagvlak onder de bevolking.

24. Het OMT benadrukt dat er veel onzekerheid bestaat over het effect van de maatregelen om verspreiding tegen te gaan. Kennis die noodzakelijk is voor een wetenschappelijke onderbouwing van interventies, ontbreekt goeddeels. Het is niet mogelijk om op basis van wetenschappelijke bewijzen een strategie uit te werken om de maatschappij weer te openen zonder dat dit zou kunnen leiden tot een mogelijk onbeheersbare verspreiding van het virus.

Productie 17: OMT-advies 20 april 2020

25. In een brief van 21 april 2020 is de Kamer geïnformeerd over de stand van zaken. De minister concludeert dat de maatregelen effectief en de cijfers van de IC’s hoopvol zijn. Volgens de minister staat Nederland pas aan het begin van de volgende fase in de bestrijding van het virus. De daling van het virus zou alleen doorgezet kunnen worden als de maatregelen en adviezen gevolgd worden. Verder meldt de minister dat er met 3.206 bedden landelijk voldoende zorgcapaciteit gecreëerd is buiten het ziekenhuis voor kwetsbare patiënten. Daarnaast zijn er 3.832 bedden beschikbaar die op korte termijn kunnen worden ingezet zodat er een totaalcapaciteit van 7.038 bedden beschikbaar is.

26. In een persconferentie van 21 april 2020 is medegedeeld dat de maatregelen, die in eerste instantie op 28 april 2020 zouden aflopen, verlengd worden tot 19 mei 2020. De maatregelen met betrekking tot evenementen worden verlengd tot 1 september 2020. In deze persconferentie benadrukt de minister-president dat na het afschalen van de maatregelen niet teruggegaan wordt naar de situatie van voor de maatregelen. Er zal sprake zijn van “het nieuwe normaal”. De gezondheid blijft het allesbepalende criterium. In de ontwikkeling van een exit-strategie wordt voornamelijk rekening gehouden met de toekomstige mogelijkheid van verspreiding of opleving van het virus. Het succes van deze strategie wordt deels afhankelijk gesteld van een preventief vaccin waarvan verwacht wordt dat het nog enige tijd kan duren voordat dit beschikbaar wordt.

Productie 18: Brief veiligheidsregio aan gemeenten 22 april 2020
Productie 19: Modelverordening COVID-19 24 april 2020

27. Opmerkelijk is dat er ingezet wordt op onderzoek en ontwikkeling van een vaccin. Een vaccin is immers een voorwaarde om het virus uit de wereld te krijgen. Hiervoor is 50 miljoen euro beschikbaar gesteld aan de Coalition on Epidemic Preparedness. Een vaccin heeft echter nog nooit een crisis opgelost. Het is een voorbereidingsmiddel en kan per definitie niet gebruikt worden tijdens een epidemie.

28. Opvallend is ook de nadruk op het onderzoek naar de mogelijkheden om voor de ondersteuning van bron- en contactonderzoek de inzet van mobiele applicaties te gebruiken. De ontwikkeling van een COVID-19-app volgt op een aanbeveling van de Europese Commissie. De communicatie met het publiek rept hierover niet. In een handleiding geeft de Europese Commissie een beschrijving waaraan een dergelijke app moet voldoen. De minister geeft een stappenplan om tot een werkende app te komen.

29. Na een oproep in een opiniestuk in de NRC van 7 april 2020 “Test op antistoffen, dat is nu essentieel” door Jaap Goudsmit, hoogleraar epidemioloog en infectieziekten aan Harvard University, stellen SP-fractieleden in de Tweede Kamer de vraag of nu een representatieve steekproef doorgevoerd gaat worden om een basis voor het gevoerde beleid te krijgen. De minister antwoordt zonder nadere toelichting dat in de Pienter-Covid-studie een bredere steekproef doorgevoerd wordt.

Productie 20: Kamervragen 6 mei 2020 Hijink en Van Gerven

30. Op 1 mei 2020 geeft de minister-president na afloop van de ministerraad een persconferentie waarin hij duidelijk maakt dat met betrekking tot het afschalen van de maatregelen niets met zekerheid in het vooruitzicht gesteld kan worden. Op de vraag bij welke hoeveelheid bezette IC-bedden de maatregelen verlicht kunnen worden, antwoordt de minister-president dat daar niet op gestuurd wordt. Er wordt volgens hem nu naar de gehele zorg gekeken. Ook moet in de gaten gehouden worden dat het reproductiecijfer R0 onder de 1 blijft. Volgens de minister-president kunnen er geen beslissingen worden genomen over het openen van sectoren totdat alle cijfers beschikbaar zijn over hoe het virus ‘door de samenleving raast’. Op dat moment bevond het reproductiecijfer zich evenwel onder de 1.

31. De minister-president verbaast zich verder over de kritiek dat het OMT opereert als een gesloten bolwerk. Het overleg van experts moet zich volgens hem in vertrouwen afspelen om tot een gewogen afweging te komen. ‘Er is nog te weinig bekend over het virus’, aldus de minister-president. Een perspectief van openingen kan pas gegeven worden als heel precies duidelijk is hoe het met de verspreiding staat en de cijfers zijn nog niet zo geweldig dat daar nu al op vooruit gelopen kan worden. Er wordt nu alleen gekeken naar de mogelijkheid dat als het bijvoorbeeld twee weken goed blijft gaan er een plan gemaakt wordt om vier of zes weken in blokken te heropenen. ‘Zodra de cijfers aanleiding geven om een eerlijk perspectief te geven, zal dat ook gebeuren’, aldus Rutte.

32. Op de vraag bij welke cijfers er aanleiding bestaat om een perspectief te bieden, antwoordt de minister-president dat de verspreidingsgraad echt onder de 1 moet zitten.

Productie 21: letterlijke tekst persconferentie minister-president 1 mei 2020

33. Op 4 mei 2020 produceert het OMT een vervolgadvies. De actuele situatie is volgens het OMT dat het reproductiegetal R0 sinds 16 maart 2020 kleiner is dan 1. Volgens een schatting lag het aantal mensen met een actieve besmetting in Nederland op 13 april 2020 rond de 25.000. De prognose voor de IC’s is dat er op 1 mei 2020 iets minder dan 700 COVID-19-patiënten opgenomen zijn. Hiermee is voldaan aan de voorwaarde voor versoepeling. Het OMT verwacht dat er rond 11 mei 2020 minder dan 500 IC-bedden bezet zijn met COVID-19-patiënten. Een algehele versoepeling van de maatregelen kan pas ingaan – los van de extra hygiëne en 1,5-meter-regel – bij een lage incidentie van de infecties. Voorwaarden hiervoor zijn volgens het OMT dat er voldoende testen en afnamecapaciteit zijn en een maximaal opgeschaalde public health infrastructuur voor bron- en contactopsporing is. Zodra het technisch mogelijk is, dient de virologische surveillance gecomplementeerd te worden met serologische surveillance zodat een beeld ontstaat van de opgebouwde immuniteit. Over gezichtsmaskers adviseert het OMT niet positief noch negatief aangezien over het nut geen eenduidig beeld bestaat.

Productie 22: advies OMT 4 mei 2020

34. Naar aanleiding van het OMT-advies stuurt de minister op 6 mei 2020 een brief aan de Kamer met een update over de stand van zaken. Volgens de minister zijn er sinds maart goede resultaten bereikt en nemen de nieuwe besmettingen en het aantal ziekenhuis- en IC-opnames af. Volgens de minister staan we pas aan het begin van de volgende fase in de bestrijding van de uitbraak waarin stapsgewijs naar de controlefase gewerkt wordt. Dit moet volgens de minister op een verantwoorde manier gebeuren omdat de kans op een tweede uitbraak reëel is als er niet voorzichtig genoeg gehandeld wordt. Dit is volgens de minister een gezamenlijke zoektocht naar een verantwoord pad tot we beschikken over een goed werkend vaccin.

35. In de controlefase wordt vastgehouden aan drie ankerpunten, namelijk zorgen dat de zorg het aankan, het beschermen van de kwetsbaren in de samenleving en nog meer zicht en inzicht krijgen in de verspreiding van het virus. Om in deze overgangsfase goed voorbereid te zijn op de volgende fase van “het nieuwe normaal” zijn volgens de minister duidelijke kaders vanuit de overheid en goede afspraken met de samenleving nodig. Alleen dan is het volgens de minister mogelijk om de genomen maatregelen stap voor stap op te heffen en de samenleving perspectief te bieden en economische activiteiten zoveel mogelijk weer op te starten.

36. Als eerste stap naar het “nieuwe normaal” krijgen enkele sectoren de mogelijkheid weer te openen met inachtneming van tal van beperkingen. Zo kunnen een aantal contactberoepen weer aan de slag zolang er gewerkt wordt op afspraak en de anderhalve meter afstand gegarandeerd kan worden. Zwembaden mogen gedeeltelijk open maar de douches moeten gesloten blijven. De voorwaarden voor deze ‘openstellingen’ zijn dat:

 De RIVM-richtlijnen zijn geïmplementeerd;
 Er strikte hygiënemaatregelen toegepast worden;
 De contactberoepen dienen te werken volgens het afwegingskader; dat door het OMT is vastgesteld;
 De in het afwegingskader genoemde contactberoepen werken op basis van reservering en triage; en
 Kwetsbare groepen worden ontmoedigd om gebruik te maken van diensten van contactberoepen. Dit geldt niet voor noodzakelijke contacten met medische zorgprofessionals.

37. Verder wordt het onderwijs weer mondjesmaat geopend eveneens met inachtneming van talrijke voorwaarden. Het openbaar vervoer mag weer gebruikt worden mits een mondkapje gedragen en voldoende afstand gehouden wordt.

38. Het testbeleid wordt in die zin aangepast dat vanaf nu iedereen met griepsymptomen getest kan worden. Verder zal weer bron- en contactonderzoek gaan plaatsvinden. De reguliere zorg zal eveneens weer langzaam opgestart worden.

Productie 23: brief 6 mei 2020 van de minister Medische Zorg aan de Kamer

39. Op 18 mei 2020 komt het OMT met een nieuw advies dat door de minister omgezet is in beleid. Volgens het OMT zijn de drie pijlers van het transitiebeleid de volgende:

 een acceptabele belastbaarheid van de zorg – ziekenhuizen moeten kwalitatief goede zorg aan zowel COVID-19-patiënten als aan patiënten binnen de reguliere zorg kunnen leveren; de eerder vanwege COVID-19 uitgestelde planbare zorg moet op korte termijn weer kunnen worden opgestart;
 het beschermen van kwetsbare mensen in de samenleving;
 het zicht houden op en het inzicht hebben in de verspreiding van het virus.

40. Op dat moment zijn in totaal 5.590 personen met een bevestigde SARS-CoV-2-infectie overleden. Het OMT meldt dat er op 14 mei 2020 373 COVID-19-patiënten opgenomen zijn en dat dit aantal tot 1 juni 2020 zal dalen naar 200 IC-bedden. Het effectieve reproductiegetal (Rt) van de epidemie is op basis van berekeningen gebaseerd op de eerste ziektedag van opgenomen patiënten, sinds 16 maart kleiner dan 1 en is sindsdien vlak onder de 1 gebleven.

41. Het OMT adviseert tot een (Beperkte) opening van horecagelegenheden. Restaurants, cafés, bioscoopzalen, culturele instellingen mogen vanaf 1 juni binnen maximaal 30 mensen ontvangen, inclusief personeel. Dit onder de voorwaarde dat er vooraf wordt gereserveerd, triage plaatsvindt, hygiënemaatregelen op locatie worden gerealiseerd en de anderhalve-meter-maatregel wordt geïmplementeerd.

 Terrassen weer openstellen onder twee voorwaarden: alle gasten hebben een zitplaats en mensen houden anderhalve meter afstand van elkaar.
 Musea (w.o. monumenten) mogen per 1 juni ook weer open. Dit onder de voorwaarde dat er vooraf wordt gereserveerd, triage plaatsvindt, hygiënemaatregelen op locatie worden gerealiseerd en de anderhalve-metermaatregel wordt geïmplementeerd.
 Het (gedeeltelijk) openstellen van het voortgezet onderwijs. Dit onder de voorwaarde dat er hygiënemaatregelen op locatie worden gerealiseerd en de anderhalvemetermaatregel wordt geïmplementeerd.

42. Het OMT benadrukt wederom het belang van het volhouden van de algemene adviezen zoals het handhaven van de anderhalve meter afstand tussen mensen, (hand-) hygiënische adviezen, en het thuisblijven bij de geringste luchtwegklachten. Het strikt blijven opvolgen van deze adviezen is volgens het OMT een conditio sine qua non voor het verder controleren van COVID-19 en om het versoepelen van de maatregelen mogelijk te maken.

Productie 24: advies 18 mei 2020

43. Bij brief van 3 juni 2020 informeert de minister de Kamer over een initiatief van de Europese Commissie om versneld een COVID-19-vaccin beschikbaar te krijgen. Nederland heeft samen met Duitsland, Frankrijk en Italië op 2 juni 2020 het initiatief genomen tot het oprichten van een ‘Inclusieve Vaccin Alliantie’. Nederland zoekt hiermee de verbinding met een aantal internationale partners die leidend zijn in Europa en net als Nederland over (fysieke) mogelijkheden beschikken om van betekenis te zijn in de vaccinontwikkeling en productie voor Europa en daarbuiten.

Productie 25: brief 3 juni 2020 aan de Kamer

44. Op 13 juni 2020 informeert de minister de Kamer dat Nederland, Frankrijk, Duitsland en Italië een contract hebben gesloten met farmaceut AstraZeneca voor de levering van 300 miljoen coronavaccins. Aanvullend is er de mogelijkheid om nog 100 miljoen doses af te nemen. “We investeren hiermee in het straks grootschalig kunnen produceren van een belangrijk kandidaat-vaccin zoals ontwikkeld door de Universiteit van Oxford”, aldus de minister. De minister voorziet de mogelijkheid om eind 2020 een eerste hoeveelheid vaccins beschikbaar te hebben.

45. De overeenkomst heeft mogelijk een waarde van ruim een miljard euro. AstraZeneca is sinds 2003 regelmatig betrokken in strafrechtelijke onderzoeken en betaalde tot 2016 meer dan een miljard euro aan schikkingen. In 2003 stemde het bedrijf in met een boete van 355 miljoen euro om een strafrechtelijke vervolging voor oplichting van Amerikaanse ziekenfondsen te voorkomen. Door de minister is geen toelichting gegeven of voorafgaande aan de aanbesteding een integriteitsscreening of gedragsverklaring volgens de Europese Richtlijnen heeft plaatsgevonden.

Productie 26: brief 13 juni 2020 aan de Kamer

46. Op 23 juni 2020 komt het OMT met een nieuw advies waarmee een aantal maatregelen versoepeld kunnen worden. De afstandsregel van 1,5 meter en het dragen van mondkapjes blijven in stand. Het OMT noemt als doelen van de maatregelen het beschermen van kwetsbare mensen in de samenleving en een acceptabele belasting van de zorg- ziekenhuizen en het zicht houden op de verspreiding van het virus. Volgens de adviezen zijn er nog nauwelijks patiënten op de IC’s en geregistreerde doden die positief getest zijn op COVID-19.

Productie 27: advies 23 juni 2020

Gebrekkig en ondoorzichtig beleid op basis adviezen OMT:

47. Uit het voorgaande volgt dat het OMT het beleid bepaalt met haar adviezen. De adviezen van het OMT worden nagenoeg één op één omgezet zonder dat een nadere afweging door de beleidsmakers lijkt plaats te vinden. Dit is een essentieel gebrek in de besluitvorming. Het OMT is een gremium van artsen en virologen zonder democratische legitimatie. Een groot bezwaar daarbij is de afwezigheid van transparantie in de totstandkoming van de deze adviezen. In de dagvaarding is toegelicht dat dit in meerdere opzichten onaanvaardbaar is, met name op de volgende punten:

 De besluitvorming van de beleidsmakers wordt ondoorzichtig en oncontroleerbaar;
 Een wetenschappelijk debat ontbreekt als gevolg van een gebrek aan transparantie en eenzijdige mediaberichtgeving zodat de besluiten op een eenzijdige belichting steunen;
 De besluitvorming is niet science driven;
 De adviezen van het OMT zijn niet controleerbaar, niet onderbouwd, en niet consistent;
 Onderliggende cijfers van de OMT-adviezen zijn onbetrouwbaar en incompleet;
 Een wetenschappelijke onderbouwing van de maatregelen ontbreekt;
 De ervaringen van een identieke situatie met de Mexicaanse griep in 2009 zijn niet in de besluitvorming te herkennen;
 De gebruikte PCR-test is onbetrouwbaar. Dit betekent dat beleid gemaakt wordt zonder dat duidelijk is of het virus nog aangetoond kan worden;
 Het beleid focust op het fysieke aspect van gezondheid en vernietigt de mentale en sociale gezondheid.

48. De gebruikte modellen en data zijn net als de verslagen van de OMT-bijeenkomsten niet openbaar. Hierna volgt een toelichting over de onderdelen van het beleid waarin de informatievoorziening van het RIVM en OMT ernstig tekortschiet en aanleiding geeft voor vragen. Dit betreft onnavolgbare beleidsbeslissingen, het gebruik van modellen, het ontbreken van betrouwbare serologische onderzoeken, de weigering informatie te verstrekken en het blindelings volgen van WHO-beleid. Deze onderdelen hangen direct samen met de exhibitieplicht van de Staat die noodzakelijk is om de onrechtmatige besluitvorming te bewijzen.

Onnavolgbare beleidsbeslissingen: wat veranderde er tussen 9 en 15 maart?
49. De dagvaarding beschrijft de in veel opzichten onnavolgbare en onbegrijpelijke besluitvorming. Illustratief hiervoor zijn de niet nader toegelichte wijzigingen van de gestelde doelen. Ook de beleidskeuzes met betrekking tot maatregelen zijn onnavolgbaar. Meest in het oog springt de plotselinge sluiting van de Nederlandse samenleving in de dagen na 9 maart. Maar ook het verzetten van piketpaaltjes wijst op een inconsistent beleid.

50. Eerst is gestuurd op de IC-capaciteit en groepsimmuniteit. Vervolgens is het reproductiegetal leidend, deze moet onder 1 komen. Als bekend wordt dat het reproductiegetal al op 16 maart 2020, voorafgaande aan de maatregelen, onder 1 was, is ook dit niet meer relevant. De IC’s zijn leeg en thans is het aantal positieve testen leidend geworden. Over groepsimmuniteit wordt niet meer gesproken. Er zijn thans nog nauwelijks positieve testen, en nu moet gewacht worden op een vaccin.

51. Het RIVM verdedigt haar adviezen met de stelling dat er onzekerheden zijn. Het is echter niet zo dat er geen kennis beschikbaar was en daarom gevreesd moest worden voor een ramp. De beschikbare informatie tussen januari en maart gaf namelijk geen aanleiding voor de vrees dat COVID-19 de samenleving kon ontwrichten. Bij een rechtmatigheidstoetsing zal het besluit afgewogen moeten worden tegen de destijds bekende informatie. Deze kennis blijkt onder meer uit met de Kamer gedeelde informatie en een op 9 maart gepubliceerd onderzoek van het RIVM.

52. Op 4 februari gaf Van Dissel een briefing aan de Tweede Kamer over COVID-19. In deze briefing vergelijkt Van Dissel de gevolgen van deze ziekte met de griep. Zowel de symptomen als de risicogroepen hebben volgens Van Dissel veel gelijkenis. Ook de verdubbelingstijd en de overdracht lijken op de griep, Volgens de cijfers van dat moment leek de Case Fatality Rate (CFR) op 2 tot 3% te liggen. Van Dissel gaat er echter van uit deze veel lager ligt. Er is dan ook al bekend dat er waarschijnlijk veel asymptotische besmettingen zijn:

‘Omdat het niet waarschijnlijk is dat er een heleboel sterfte is die zich afspeelt buiten het zicht van de gezondheidszorg, dus dat je daar plotseling een piek in zou hebben, betekent dat per definitie dat het sterftepercentage van zo’n uitbraak dan percentueel geweldig daalt. Dan kom je natuurlijk bij getallen die, zoals ik zo zal laten zien, die misschien wat meer in de ordegrootte van griep liggen. Dat is natuurlijk weer van belang voor de wijze waarop je uiteindelijk met je maatregelen omgaat.’

en
‘En ik wilde u ook nog even het influenzaseizoen laten zien, waarbij we uiteindelijk toch behoorlijk wat druk op de zorg ervoeren, doordat ziekenhuizen en ic’s vol lagen. Dat was in 2017–2018. Toen hadden we ongeveer 16.000 opnames en bijna een miljoen zieken in de bevolking, dus ongeveer 1 op de 16. Er was een oversterfte tijdens deze periode – dat weet je natuurlijk nooit voor 100% zeker – van ongeveer 9.500. Dan kom je op een percentage van ongeveer 1%.’

53. Begin februari ging het RIVM dus uit van een virus dat in gevaar vergelijkbaar is met de griep. Dit beeld is een maand later bevestigd met een op 9 maart door het RIVM gepubliceerd onderzoek naar het verloop van de COVID-19-epidemie in de Chinese stad Shenzhen. In dit onderzoek werd het overlijdensrisico na een besmetting op een IFR van 0,5% geschat. Dit is de helft van de griepgolf 2017-18. Ook het gevaar op ernstige ziekte na een besmetting werd als “zeer klein” ingeschat. Het rapport schat dat ongeveer 1% van COVID-19-gevallen leidt tot een ziekenhuisopname. Bij griep ligt dit tussen de 1 en 2%. Ook was bekend dat het virus vooral gevaarlijk is voor beperkte risicogroepen.

Productie 28: briefing Van Dissel 4 februari 2020
Productie 29: Onderzoek 9 maart 2020

54. Omdat destijds onbekend was hoeveel mensen vatbaar zouden zijn voor het virus, raadt het rapport maatregelen aan om de verspreiding te beperken. Daarmee kan de piekbelasting van de zorginfrastructuur controleerbaar blijven. Het rapport adviseert in de eerste plaats de contacten te beperken met mensen met een hoog risico op een ernstig verloop.

55. Daarnaast worden algemene maatregelen aanbevolen zoals het achterwege laten van handen schudden, verbeteren van handhygiëne, thuiswerken wanneer mogelijk en het afgelasten van bijeenkomsten en evenementen. Een advies voor een volledige lockdown en social distancing ontbreekt. Op 9 maart, de dag van publicatie van het onderzoek, nam Rutte het advies over. Dit beleid sluit aan bij het alleszins redelijke door Zweden gevoerd beleid. Doch in de dagen daarna gaat heel Nederland onverwachts toch op slot.

56. Op 11 maart roept Rutte iedereen in Nederland op om thuis te blijven bij klachten als neusverkoudheid, hoesten, keelpijn of koorts. Ook werd gevraagd om sociaal contact te mijden. Bijeenkomsten met meer dan honderd personen werden afgelast. Dat gold ook voor publieke locaties als musea, concertzalen, theaters, sportclubs en sportwedstrijden. Mensen met een beroep werden opgeroepen zoveel mogelijk thuis te werken of de werktijden te spreiden. Ouderen en personen met verminderde weerstand werd verzocht grote gezelschappen en openbaar vervoer te mijden. Eenieder werd opgeroepen niet naar het buitenland te reizen.

57. Op zondag 15 maart werd om ongeveer half zes ’s middags plotseling bekendgemaakt dat alle eet- en drinkgelegenheden (behalve die in hotels), sport- en fitnessclubs, sauna’s, seksclubs en coffeeshops vanaf 18.00 uur die dag dienden te sluiten. Het kabinet besloot verder om vanaf de volgende dag toch maar alle scholen en kinderdagverblijven te sluiten. Dit terwijl op dat moment bekend was dat kinderen en jongeren nauwelijks vatbaar zijn voor het virus.

58. Ondanks dat het RIVM veronderstelde dat het gevaar van COVID-19 vergelijkbaar is met de griep, werd toch onverwachts het hele land gesloten. De stijgende aantallen ziekenhuis- en IC-opnames kunnen deze besluiten evenmin rechtvaardigen. De epidemie bereikte half maart haar hoogtepunt. Het is niet aannemelijk dat het RIVM geen enkele indicatie had over de verspreiding van het virus onder de bevolking.

59. De knelpunten in de IC-zorg zijn een jaarlijks terugkerend fenomeen tijdens het griepseizoen. Jaarlijks belanden er rond de 10 duizend patiënten met severe acute respiratory infections (SARI) op de IC. De griepgolf 2017-18 veroorzaakte 16 duizend ziekenhuisopnames.

60. Bij het influenzaseizoen 2017-2018 waren er capaciteitsproblemen in meer dan de helft van de Nederlandse ziekenhuizen. Tijdens griepgolven zijn tot vijfduizend IC-opnames geen uitzondering. Deze werden tijdens de COVID-19-epidemie nooit bereikt. In totaal lagen er rond de tweeduizend patiënten op de IC’s. Het aantal IC-bedden is overigens de afgelopen drie jaar door bezuinigingen met een derde verminderd, maar de tekorten waren vooral regionaal bepaald.

61. De vraag is waarom en op basis van welke informatie het OMT haar adviezen na 9 maart drastisch wijzigde met als gevolg dat de hele samenleving stilgelegd werd? Welke afwegingen zijn aan dit advies ten grondslag gelegd? Zijn de voorzienbare gevolgen van de maatregelen meegewogen? Zijn minder ingrijpende maatregelen overwogen? De beantwoording van deze vragen zijn cruciaal om de rechtmatigheid van het beleid te toetsen. De notulen van de OMT-bijeenkomsten vormen een essentieel bewijsmiddel om de rechtmatigheid van dit besluit te toetsen.

Invloed WHO op adviezen OMT
62. In de dagvaarding is de Internationale Gezondheid Regeling (IGR) beschreven. Dit in 2007 in werking getreden verdrag bepaalt in hoge mate het beleid van de 196 aangesloten landen. Niet alleen beoordeelt de WHO of een virus tot pandemie uitgeroepen wordt, ook hebben de aangesloten landen hun wetgevingen gemodelleerd naar de aanwijzingen van de WHO.

63. De adviezen van het OMT lijken zich volledig te richten naar de door de WHO uitgestippelde route ter bestrijding van het COVID-19-virus. Een blauwdruk voor het huidige beleid is te vinden in het advies van de WHO “Versterking en aanpassing van de maatregelen op het gebied van de volksgezondheid tijdens de overgangsfase van COVID-19.”

64. Noch het OMT noch de beleidsmakers informeren het publiek over de herkomst van de beleidsadviezen. Integendeel. De beslissingen zijn gepresenteerd als de uitkomst van zorgvuldige afwegingen binnen het OMT. Zoals hierna toegelicht, zijn er grote vraagtekens te plaatsen bij de rechtmatigheid van dit WHO-beleid. Temeer daar in het beleid elke proportionaliteits- en subsidiariteitsafweging lijkt te ontbreken. Indien het WHO-beleid de basis van de adviezen vormt, is dit eveneens onrechtmatig.

Productie 30: Versterking en aanpassing van de maatregelen op het gebied van de volksgezondheid tijdens de overgangsfase van COVID-19.”

65. Het WHO-advies beschrijft dat de aangesloten landen de bevolking in een uitzonderingssituatie dienen te houden totdat een vaccin beschikbaar is. Alle onderdelen van dit beleid, de aanhoudende onzekerheid van een nieuwe lockdown en maatregelen, een dashboard, het massale testen, de tracing-app en het promoten van een vaccin als enige oplossing zijn stuk voor stuk terug te vinden in de adviezen van het OMT. Ook het taalgebruik als “overgangsfase” zijn terug te vinden in de OMT-adviezen.

66. Het “Nieuwe Normaal” is onderdeel van het WHO-beleid. Eén van de voorwaarden die het stuk stelt voor het versoepelen van maatregelen is de inrichting van een permanente 1,5-metersamenleving. Dit terwijl het OMT deze maatregel juist aanbeveelt in afwachting van een vaccin, niet als onderdeel van een nieuwe maatschappelijke inrichting.

67. Schokkend zijn verder de door de WHO tijdens de drie fasen van de transitie te verwachten nadelige gevolgen. De door de WHO voorspelde sociale en economische gevolgen van de eerste tot de derde fase in de transitie zijn:

 Afnemende informele zorg;
 Toenemend isolement van ouderen;
 Toename van genderongelijkheid;
 Stijgend aantal zelfmoorden;
 Afnemende baanzekerheid en werkgelegenheid;
 Toename huiselijk geweld;
 Hogere infectie- en sterftecijfers van gemarginaliseerde bevolkingsgroepen en mensen met een slechte gezondheid en in gebieden met kwetsbare gezondheidssystemen;
 Hogere mortaliteit en morbiditeit;
 Toename van het alcoholgebruik;
 Toename van armoede en van het aantal werkende armen;
 Honger, voedsel- en brandstofonzekerheid;
 Toename van vermijdbare ziekenhuisopnames;
 Werkloosheid stijgt en blijft hoog;
 Geestelijke gezondheidsproblemen;
 Toename criminaliteit;
 Faillissementen en sluiting ondernemingen;
 Wegvallen van de sociale cohesie;
 Langdurige slechte gezondheid;
 Vertraagd herstel en groeiende regionale verschillen economie en gezondheid;
 Toenemende ongelijkheid;
 Toename van vermijdbare ziekenhuisopnames;
 Langdurige werkloosheid;
 Stigmatisering en xenofobie;
 Slechte jeugdervaringen;
 Schooluitval voor kinderen uit achtergestelde bevolkingsgroepen;
 Toenemende stress en wanhoop;
 Criminele uitbuiting, woekeraars en aanwerving in de georganiseerde criminaliteit;
 Toenemende onzekerheid onderdak en daklozen;
 Alcoholisme en verslaving;
 Toename van het aantal mensen zonder onderwijs, werk of opleiding;

68. Het beleid heeft kennelijk als hoofddoel om te voorkomen dat een virus zich verder kan verspreiden. In geval van een virus met een beperkte letaliteit waarvan bovendien vaststaat dat 98 % van de bevolking geen gevaar loopt, roept deze keuze serieuze vragen op. Hoe kunnen beleidsmakers op basis van hetgeen bekend is over COVID-19 kiezen voor een strategie die de gehele samenleving ontwricht? Waarvan bekend is dat het aantal sterfgevallen als gevolg van de maatregelen het aantal voorkomen doden overstijgt? Waarvan bekend is dat het welzijn, welvaart en gezondheid van de gehele bevolking ernstig geschaad worden?

69. Het gezondheidsbegrip dat de WHO vanaf de jaren ’50 hanteert, is een onsplitsbare drie-eenheid van fysieke, mentale en sociale gezondheid. In de dagvaarding is dit punt nader toegelicht. Gezien de genoemde gevolgen, vernietigt het WHO-beleid de mentale en sociale gezondheid.

70. Indien het OMT en daarmee de beleidsmakers deze aanbevelingen volgen, terwijl deze consequenties bekend zijn, is het voor de rechtsmatigheidstoets van groot belang kennis te nemen van de onderliggende argumenten. Met name de vraag hoe op basis van deze verwachte gevolgen het beleid een proportionaliteits- en subsidiariteitstoets kan doorstaan. Hiertoe zijn de notulen van de OMT-bijeenkomsten noodzakelijk.

Gebruik modellen
71. Een andere kwestie is dat het OMT gebruik maakt van modellen om het verloop van de verspreiding en de gevolgen van het virus te voorspellen. Het OMT weigert bekend te maken welke modellen zij gebruikt en op basis van welke data en uitgangspunten. Daarbij is onduidelijk welke invloed de modellen hebben op de adviezen.

72. Het gebruik van modellen als basis voor het nemen van maatregelen is zeer omstreden. In een onderzoek door het Lagerhuis in het Verenigde Koninkrijk zijn op 10 juni 2020 professor Mark Woolhouse, professor John Giesecke en professor Neil Ferguson, allen “staatsvirologen”, ondervraagd over het gebruik van dit soort modellen. Uit deze verhoren komt naar voren dat deze geen voorspellende waarde hebben. Integendeel, er worden altijd meerdere modellen gemaakt op basis van verschillende data.

73. De virologen verklaren zelf te hopen dat hun modellen niet doorslaggevend zijn geweest bij het bepalen van het beleid. Zonder een afweging van de gevolgen van de maatregelen is dat volgens hen onverstandig. Ook verbazen zij zich erover dat steeds uitgegaan is van de worst case-scenario’s. “Bijna altijd is een pandemie minder erg dan de modellen inschatten. Deze modellen zijn net zo betrouwbaar als de data die wij erin stoppen”, aldus de virologen.

Productie 31: verhoren Science and Technology Committee 10 juni 2020

74. Illustratief hiervoor zijn de schattingen van Neil Ferguson van het Imperial College in Londen die het startsein gaven voor de draconische maatregelen in veel landen. Door Ferguson werd een armageddon voorspeld als overheden niet snel zouden overgaan tot vergaande maatregelen.

75. Zo zou het dodental in het Verenigd Koninkrijk oplopen tot 500.000 en de Verenigde Staten moest rekenen op ruim 2,3 miljoen slachtoffers. Korte tijd later corrigeerde Ferguson zijn ramingen. Het aantal doden voor het Verenigd Koninkrijk stelde hij vervolgens bij naar 20.000 tot het einde van het jaar waarvan de helft ook zonder COVID-19 voor het einde van het jaar gestorven zou zijn. Ferguson heeft zijn positie bij het Imperial College inmiddels verlaten. Het is daarmee van groot belang inzicht te verkrijgen in het gebruik van de modellen bij de totstandbrenging van de adviezen.

76. Overigens lagen er geen aanwijzingen voor een dramatisch verloop van de epidemie. In landen waar het virus al drie maanden eerder rondging, zoals China, Iran, Korea en Japan en zelfs in Italië was de letaliteit een factor 500 lager dan de prognoses. Deze informatie had aanleiding moeten zijn voor grote terughoudendheid bij het nemen van maatregelen.

77. Opvallend is verder dat in de adviezen van het OMT geen aanknopingspunt te vinden is hoe het alternatieve scenario eruit zou zien zonder deze maatregelen. Hoeveel meer overlijdens zijn er te verwachten als gevolg van COVID-19 indien de maatregelen beëindigd worden? Van welke infection fatality rate (IFR) is door het OMT uitgegaan? Het OMT hult zich in stilte. Eerst na vier maanden is onder grote druk een indicatie gegeven, waarover hierna meer.

78. Wel schat het OMT dat met de maatregelen 35.800 IC-opnames voorkomen zijn. Wederom, een argumentatie van deze schatting ontbreekt. Ook ontbreekt een onderbouwing hoe vastgesteld is dat de maatregelen enig effect gesorteerd hebben. Het causaal verband wordt kennelijk als vanzelfsprekend aangenomen. Dit is echter monocausaal denken waarbij de begrippen causaliteit en correlatie verwisseld worden. Het is een drogredenering die niet past in een wetenschappelijke benadering.

79. Op basis van de nu bekende gegevens kunnen er ernstige vraagtekens gesteld worden of de lockdown het verloop van de verspreiding positief beïnvloed heeft. Integendeel, gebleken is dat het Rt-getal al voor de lockdown beneden de 1 was, terwijl dit volgens het OMT aanvankelijk juist als argument gebruikt is om de maatregelen in te stellen.

80. De vraag is welke modellen en data gebruikt zijn en op welke wijze de uitkomsten een rol gespeeld hebben bij de totstandkoming van de adviezen. Dit geldt ook voor de onderliggende gegevens voor de berekening waaruit volgt dat 35.800 IC-opnames voorkomen werden. Deze gegevens zijn derhalve noodzakelijk voor het te leveren bewijs.

Ontbreken betrouwbare serologische onderzoeken
81. Om te bepalen of en welke maatregelen noodzakelijk zijn, dient eerst de mate van verspreiding van het virus onder de bevolking onderzocht te worden. Dit is uitsluitend mogelijk met representatieve steekproeven van serologietesten waarmee bepaald kan worden welk percentage van de bevolking antistoffen tegen het virus ontwikkeld heeft. Aan de hand daarvan kan berekend worden of er groepsimmuniteit ontstaat. In de wetenschap bestaat hierover een consensus die ook door het RIVM gedragen wordt.

82. Er had daarom groot ingezet moeten worden op representatieve steekproeven. Alleen op basis hiervan kan een indruk worden verkregen van het werkelijke IFR en het benodigde aantal IC-plaatsen. De vraag is dan ook waarom dit nauwelijks tot niet gebeurt.

83. Het enige representatieve serologische onderzoek, is het Pienter Corona-onderzoek waaraan 6.000 personen zouden deelnemen. Op 22 april 2020 gaf Jaap van Dissel namens het RIVM een uitgebreide briefing over het verloop van de COVID-19-epidemie. Deze informatie vormde de basis voor het besluit tot verlenging van de desastreuze maatregelen. Van Dissel liet de Kamer weten dat uit het Pienter Corona-onderzoek van het RIVM onder meer blijkt dat de verspreiding van het virus in de bevolking 3,6 % bedraagt. Deze uitkomst is echter ongeloofwaardig.

84. Volgens Van Dissel zijn in dit onderzoek sinds 17 april 2.096 bloedsamples onderzocht. Waarom vraagtekens gesteld kunnen worden bij de gestelde uitkomst van 3,6% van de bevolking, is het volgende. Door de bloedbank Sanquin is ook een serologische onderzoek uitgevoerd op basis van tussen 1 en 15 april genomen samples. De uitkomsten van dit onderzoek zijn identiek. Dit is opvallend omdat het hier niet om een representatieve steekproef gaat. Alle donoren met ziekteverschijnselen zijn namelijk buiten het onderzoek gehouden.

85. Ondanks een afwijkende basis is het, hoe ongeloofwaardig ook, niet volledig uitgesloten dat beide onderzoeken een identieke uitkomst genereren. Het vermoeden bestaat echter dat Van Dissel de resultaten van het Sanquin-onderzoek gepresenteerd heeft als de uitkomsten van het Pienter Corona-onderzoek. In dat geval zou de Kamer onjuist geïnformeerd of mogelijk zelfs misleid zijn. In dat geval zouden de maatregelen op valse gronden verlengd zijn. Het RIVM weigert op onduidelijke gronden echter hardnekkig het Pienter Corona-onderzoek te publiceren. Hierdoor kan dit vermoeden op dit moment niet bevestigd worden.

86. Ondanks herhaalde verzoeken weigert het RIVM dit rapport vrij te geven. Ook op Kamervragen van 24 juni van Kamerleden Wilders en Agema weigert de minister het onderzoek te produceren.

Productie 32: Antwoorden Kamervragen 25 juni 2020

87. De volharding waarmee het RIVM de publicatie van het Pienter Coronaonderzoek blokkeert, geeft ruimte voor speculatie en versterkt het vermoeden dat hier meer aan de hand is. Het onderbouwen van besluiten met onbetrouwbare dan wel gefingeerde onderzoeksresultaten is onrechtmatig. De overlegging van het onderzoeksrapport is noodzakelijk om deze vermoedens te bewijzen.

Onbetrouwbaarheid PCR-test en manipulaties dynamiek virus
88. De besluiten tot de maatregelen en de versoepelingen daarvan hangen nauw samen met de dagelijkse testresultaten. Het RIVM vermeldt dagelijks het aantal “besmettingen” of “positief geteste personen”.

89. Het testbeleid van het RIVM en de focus op het dagelijkse aantal positieve testen is twijfelachtig. Temeer daar hiermee een dynamiek van het virus gesuggereerd wordt die in werkelijkheid ontbreekt. Daarbij werd meerdere malen het testbeleid aangepast waarmee het daadwerkelijke verloop van de epidemie niet meer te volgen is.

90. Waar eerder alleen personen die voor een ziekenhuisopname in aanmerking kwamen getest werden, is dit later uitgebreid tot iedereen met griepklachten. Dit betekent een plotselinge stijging van positieve testresultaten terwijl het relatieve verloop mogelijk daalt.

91. De afgelopen weken is het aantal testen drastisch opgevoerd. Er is sprake van een verdubbeling waarbij op dit moment ruim 14 duizend testen per dag afgenomen worden. Door de verdubbeling, neemt ook het aantal positieve testen toe. In de media is hiermee gesuggereerd dat de tweede golf in aantocht is. In werkelijkheid is het aantal positieve testresultaten relatief gehalveerd. Van week 22 tot week 28 is het percentage positieve testen gedaald van 2% naar 0,6%. De laatste weken staat dit stabiel op 1%. Dit lijkt opzettelijke beïnvloeding te zijn van het publiek waarbij angst aangejaagd wordt. Bij deze handelwijze kunnen ernstige vraagtekens gesteld worden.

92. Om het virus op te sporen gebruikt het RIVM de PCR-test. De gebruikte testen zijn echter onbetrouwbaar gebleken en uitsluitend geschikt als screeningsinstrument. Niet voor individuele diagnosestelling. Verschillende wetenschappelijke onderzoeken waarschuwden eerder al voor deze onnauwkeurigheid. Uit deze onderzoeken werd eerder duidelijk dat de gebruikte PCR-test in ongeveer 3% van de gevallen een false positive geeft.

93. De Deutsche Akkreditierungsstelle, vergelijkbaar met het Nederlandse Meetinstituut, publiceerde onlangs een nieuw onderzoek naar de betrouwbaarheid van de PCR-test van verschillende fabrikanten. In dit onderzoek zijn naast echte COVID-19-samples ook twee onschuldige coronavirussen en een placebo door de test gehaald. Het resultaat is schokkend. Eén van de onschuldige verkoudheidvirussen testte zelfs in 7,6% van de gevallen positief voor COVID-19. De placebosamples gaven in 1,4% van de gevallen een positief testresultaat. De testkits waren afkomstig van verschillende fabrikanten. De betrouwbaarheid blijkt echter zeer variabel. De testkits van één fabrikant gaf zelfs tot 50% foute positieve testresultaten.

94. De getallen die wij dagelijks over ons heen krijgen, zijn op deze test gebaseerd. Het RIVM telt elke positieve test als een besmetting met het virus. Maar volgens het gerenommeerde Duitse onderzoeksinstituut geeft de PCR-test ten onrechte een positieve uitslag bij onschuldige verkoudheidsvirussen. Door deze testresultaten zonder toelichting te publiceren, maakt het RIVM zich schuldig aan misleiding. Ook het RIVM erkent dat de test niet betrouwbaar is. Zo schrijft het RIVM op haar website:

“Van het aantal positieve testen kunnen er relatief veel fout-positief zijn.”

95. Deze conclusie is gebaseerd op een Amerikaans onderzoek: “Hoe minder frequent het virus voorkomt, hoe minder waarde gehecht mag worden aan een positief testresultaat.” In de praktijk betekent dit dat beleid gemaakt wordt zonder dat aangetoond kan worden of het COVID-19-virus zich überhaupt nog in Nederland bevindt.

Productie 33: Onderzoek PRC-test Deutsche Akkreditierungsstelle
Productie 34: toelichting gevolgen onbetrouwbaarheid test “Testen, testen, testen”
Productie 35: Beleid SARS-COV-2-PCR bij personen zonder klachten

96. Om de rechtmatigheid van het beleid te toetsen, is het noodzakelijk de informatie te ontvangen over de door het RIVM gebruikte PCR-test, waaronder de technische en klinische validatie-onderzoeken. Van Dissel zei hierover in de briefing van de Kamer op 4 februari van dit jaar het volgende (p.6):

“ Het is natuurlijk essentieel om een test te hebben die gevalideerd is en waarvan je precies weet wat je ermee kan in een situatie, als die positief of negatief is.’

97. In de Kamervragen van 24 juni is ook naar dit valideringsonderzoek gevraagd. De minister beantwoordde op 25 juni kortweg dat ‘niet duidelijk is welk evaluatierapport hier bedoeld wordt’.
Weigering onderbouwing gevoerde besluit

98. De weigering om het gevoerde beleid te onderbouwen bleek ook tijdens de behandeling van het kort geding op 25 juni. Deze procedure was de uitgelezen kans om het beleid te verdedigen en rechtvaardigen. Dit gebeurde niet. Door de staat is op geen enkel argument, feit of onderbouwing van de 55 pagina’s tellende dagvaarding ingegaan. De Staat verdedigt zich uitsluitend door te benadrukken dat het RIVM gekwalificeerde wetenschappers in huis heeft en de adviezen dus goed zijn. Wat deze wetenschappers vinden en op basis van welke kennis, wordt niet toegelicht.

Productie 36: conclusie van antwoord Staat
Productie 37: Pleitnota Staat

99. De Staat bracht een deskundige van het RIVM mee naar de zitting van 25 juni. Ook hij weigerde consequent vragen te beantwoorden. Eisers vroegen tot vijf maal toe van welke IFR uitgegaan wordt in de modellen. Dit is één van de belangrijkste criteria om vast te stellen hoe gevaarlijk een virus is. Ook nadat de rechter deze vraag zelf herhaalde, kwam geen antwoord.

Productie 38: conclusie van antwoord Staat

100. De minister beantwoordde op 25 juni 2020 uiteindelijk een aantal Kamervragen waarin voor het eerst een grove indicatie werd gegeven van de IFR. De Staat beweert dat deze berekend is op 0,32-1.00 %. Naar de huidige stand van wetenschap is dit getal overigens veel lager. Derhalve dient de totstandkoming van deze inschatting onderzocht te kunnen worden.

101. Bij deze berekening is volgens de minister gebruik gemaakt van de gegevens van het Pienter Corona-onderzoek. Mede op basis van dit onderzoek is de IFR geschat in het bereik tot 1%. Probleem is echter dat het onderzoek, zoals hiervoor al toegelicht, tot op heden niet is gepubliceerd. Eisers verzochten zowel per e-mail als telefonisch herhaaldelijk om het onderzoek en de onderliggende gegevens. Ook is door eisers gevraagd om informatie over de gebruikte modellen en de onderliggende data. Op deze verzoeken is evenmin antwoord ontvangen anders dan dat deze als WOB-verzoek beschouwd worden. Van een WOB-verzoek is echter geen sprake.

Productie 39: brief 3 juni 2020
Productie 40: brief 13 juni 2020

102. Deze hardnekkige weigering om openheid van zaken te geven is onbegrijpelijk. Het RIVM bepaalt sinds het ingaan van de maatregelen het beleid. De uiteindelijke besluiten zijn genomen met een blote verwijzing naar de adviezen van het OMT en de deskundigheid van de adviseurs. De in noodverordeningen vastgestelde maatregelen van de voorzitters van de veiligheidsregio’s zijn daarmee gebaseerd op de adviezen van het OMT.

103. De maatregelen vormen een ernstige inperking op de grondrechten van de bevolking en veroorzaken een enorme menselijke, maatschappelijke, sociale en economische schade. De door de maatregelen geraakte grondrechten zijn:

 Vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing (artikel 6 Grondwet, artikel 9 EVRM, artikel 10 EU-Handvest);
 Recht op privéleven, waaronder familieleven en huisrecht (artikel 10 Grondwet, artikel 8 EVRM, artikel 7 EU-Handvest);
 Vrijheid van vergadering en betoging (artikel 9 Grondwet, artikel 11 EVRM, artikel 12 EU-Handvest m.b.t. vergadering);
 Vrijheid van onderwijs (artikel 23 Grondwet, artikel 2 EP EVRM, artikel 14 EU-Handvest);
 De vrije arbeidskeuze (artikel 19, derde lid Grondwet, artikel 4, tweede lid, EVRM, artikel 15 EU-Handvest, artikel 1 Europees Sociaal Handvest);
 Het eigendomsrecht (artikel 14 Grondwet, artikel 1 Eerste Protocol (EP) EVRM, artikel 17 EU-Handvest);
 De vrijheid van ondernemerschap (artikel 16 EU-Handvest);
 De bewegingsvrijheid (artikel 2 Protocol 4 EVRM, artikel 45 EU- Handvest);
 Het ongestoorde genot van zijn eigendom;
 Het recht op onderwijs die gewaarborgd zijn onder andere in het Eerste Protocol bij het EVRM van 20 maart 1952.

104. De adviezen van het OMT hebben daarmee verstrekkende nadelige gevolgen voor de bevolking. Een inbreuk op grondrechten is uitsluitend toegestaan indien aan strikte door het EHRM geformuleerde criteria voldaan is. Zo moeten wetgevers en bestuurders:

 duidelijk formuleren waarop hun maatregelen en besluiten zich richten;
 aangeven welke wetenschappelijke gegevens de basis vormden voor risicocalculaties en effectiviteitsinschattingen;
 zichtbaar hebben gezocht naar de minst belastende opties;
 gedegen en uitgebreid motiveren waarom het redelijk is om grondrechten te laten wijken voor het realiseren van de geformuleerde doelstellingen;
 steeds garanderen dat alle belanghebbenden in de besluitvorming hebben kunnen participeren en dat hun mening daadwerkelijk wordt gehoord.

105. In een rechtsstaat is daarbij het uitgangspunt dat de overheid transparant dient te zijn in haar beleidskeuzes. Dit beginsel is vastgelegd in artikel 110 Grondwet en geldt versterkt bij beleidskeuzes die grote schade toebrengen aan de bevolking. In dat geval is volledige openheid noodzakelijk om de gevraagde offers te rechtvaardigen. Er bestaat een actieve verplichting zijdens de Staat om het beleid te onderbouwen en de noodzaak van de inperking van grondrechten aan te tonen. Dit ligt ook voor de hand. Noodzakelijkheid blijkt niet uit de kwalificatie maar uit de feiten. Zonder onderbouwing is het een nietszeggende term.

106. Hier is sprake van een unieke situatie. Het bestuur ontmantelt de rechtsstaat ter bestrijding van een virus en is voornemens een (semi)permanente uitzonderingssituatie te creëren. Het beleid is derhalve niet te begrijpen. Het is de vraag op welke wijze de dreiging van het virus de huidige maatregelen kan verklaren. Zowel de beleidsmakers als het RIVM zijn verplicht de belangen van de bevolking in hun handelswijze voorop te stellen.

107. Een aantal deelnemers in het OMT, waaronder Marion Koopmans, hebben dubbelrollen die een vermoeden van belangenverstrengeling kunnen rechtvaardigen. Koopmans is betrokken bij de ontwikkeling van de PCR-test waarmee op dit moment honderden miljoenen omgezet worden.

108. Tijdens de Mexicaanse Griep in 2009 speelde naast Marion Koopmans ook Jaap van Dissel een rol die tot op de dag van vandaag vragen oproept. Ook toen is hard ingezet op een vaccin als oplossing. Dit vaccin bleek achteraf niet alleen overbodig, deze was ook onveilig waardoor een groot aantal personen ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen. Koopmans en Van Dissel hebben zitting in het OMT en bepalen daarmee het beleid. Het is dan ook onwenselijk dat enige transparantie met betrekking tot de adviezen van het OMT ontbreekt.

109. Gezien het voorgaande bereiden eisers een procedure voor tegen de Nederlandse Staat op grond van onrechtmatige daad. De maatregelen duren inmiddels meer dan vier maanden. De veroorzaakte schade is nauwelijks te begroten terwijl de Staat geen deugdelijke onderbouwing levert. Er is zelfs geen aanzet gedaan om de proportionaliteit en subsidiariteit van de besluiten te onderbouwen. Dit is op zichzelf als onrechtmatig te beschouwen.

110. Eisers zullen in deze procedure bewijs moeten leveren van de stelling dat de Staat de grondrechten zonder redelijke grond inperkt. Indien eisers hiervan bewijs kunnen leveren, staat de onrechtmatigheid vast. Nu het RIVM en de Staat weigeren openheid van zaken te betrachten, is een gerechtelijke procedure noodzakelijk. Om dit bewijs te leveren zijn volgende bescheiden, die zich bevinden onder het RIVM, noodzakelijk:

 De rapporten van het Pienter Corona-onderzoek:
Deze onderzoeken zijn van groot belang voor de rechtvaardiging van de maatregelen. Op basis van de uitkomsten kan bepaald worden of er sprake is van groepsimmuniteit.
Van belang is om vast te stellen welke specifieke antibody-test uitgevoerd is en of een keuze gemaakt is waarmee voorbij gegaan wordt aan de meeste componenten in het immuunsysteem. De doelstelling van het onderzoek doet namelijk vermoeden dat er immuniteit wordt gemeten. Echter in de analyseprotocollen staat dat dit niet zonder meer het geval is door antibodytesten. Van belang is te weten of en waarom er hier is afgeweken van de standaard.

Van deze onderzoeken dienen zowel de data als de beschrijving van de doelstelling ter beschikking gesteld te worden.
Ook is de inschatting van de IFR volgens de aan de Kamer verstrekte antwoorden gebaseerd op dit onderzoek. Voor een rechtmatigheidstoets zijn deze onderzoeken en onderliggende data derhalve onontbeerlijk.

 Evaluatie/validatierapporten PCR-testen:
De beleidskeuzes en de monitoring van de epidemie zijn gebaseerd op de uitkomsten van PCR-testen. Ook hebben de testresultaten grote gevolgen voor het leven van positief geteste personen die immers aan vrijheidsbeperkende maatregelen blootgesteld worden.

De maatregelen die onderdeel uitmaken van het beleid, brengen ernstige schade toe op menselijk, sociaal, maatschappelijk en economisch vlak. Het is dan ook noodzakelijk dat het beleid gebaseerd is op betrouwbare gegevens.

Op basis van onder meer het onderzoek van de Deutsche Akkreditierungsstelle kunnen grote vraagtekens gesteld worden bij de betrouwbaarheid van deze test.

Onder verwijzing naar de uitspraken van Van Dissel in de Kamerbriefing van 4 februari, is een validatie van de gebruikte test essentieel. Aangenomen mag worden dat deze validering doorgevoerd is.

Naast de technische validering dient ook te blijken of de test geschikt is voor een klinische diagnose. Mocht deze ontbreken, dan is het beleid bij voorbaat als onrechtmatig te beschouwen. Ook is het niet aannemelijk dat geen evaluatie van de testen uitgevoerd is. Deze documenten zijn essentieel om de rechtmatigheid van het beleid te toetsen.

De over te leggen gegevens van de PCR-test dienen in elk geval het volgende te omvatten:

• welke primers gebruikt zijn en hoe deze tot stand kwamen;
• of er gebruik gemaakt is van een isolaat;
• of er onderzoek gedaan is naar vals positief en negatief;
• of er onderzoek gedaan is naar kruisreactiviteit;
• op grond waarvan de plaats van monsterafname gekozen is achter in de neus;
• waarom gekozen is deze test op grote schaal toe te passen;
• De PVV per meetperiode van de positieve testuitkomsten;
• De invloed van de hoeveelheid testen op het reproductiegetal;
• De betrouwbaarheid van het reproductiegetal indien positieve testresultaten met een PPV van tussen de 14% en 30% in deze berekeningen worden meegenomen

 Gebruikte modellen en aannames
Deze zijn in de eerste plaats van belang om te toetsen welke invloed het gebruik van modellen heeft op de adviezen. Daarnaast dient getoetst te worden of de gebruikte aannames reëel zijn en op stand van de kennis van dat moment.

Een ander punt is dat het testbeleid directe invloed heeft op Re of Rt. Op deze wijze kunnen de uitkomsten van het model beïnvloed worden.

Zoals hiervoor bleek, zijn modellen niet geschikt voor voorspellingen. De heterogeniteit van populatie, compartimentering en immunostatus maakt voorspelling met één model onmogelijk.

Het is voor de rechtmatigheidstoetsing noodzakelijk kennis te nemen van de gebruikte modellen, onderliggende data en aannames en welke rol deze gespeeld hebben bij de totstandkoming van adviezen.

 Onderbouwing schattingen voorkomen IC- en ziekenhuisopnames
Van Dissel gaf in zijn technische briefing van 25 juni 2020 aan de Tweede Kamer een inschatting van het aantal door de maatregelen voorkomen ziekenhuisopnames:

“Voorkómen IC-opnames: ~35.800 (95%CI 34.000 – 37.400) •
Voorkómen ziekenhuisopnames: ~125.300 (95%CI 119.000 – 130.900)”

De stukken waaruit blijkt welke modellen, data en rekenmethode gebruikt is om deze schattingen te produceren.

 Gespreksverslagen/notulen van OMT-bijeenkomsten
Het OMT produceert de adviezen die aan de maatregelen ten grondslag liggen. Voor een beoordeling van de rechtmatigheid van het beleid zijn deze verslagen cruciaal. Doordat de adviezen zonder nadere afweging door de beleidsmakers overgenomen zijn, dient kennis genomen te worden van de beraadslagingen.

Van belang is om vast te stellen welke afwegingen gemaakt zijn en of een subsidiariteits- en proportionaliteitsanalyse bij de adviezen meegewogen is. Een beroep op de geheimhouding die aan de deelnemers is toegezegd, dient hier gepasseerd te worden. Het belang van een rechtmatigheidstoetsing dient hier te prevaleren. Wel kan overwogen worden om de verslagen en notulen geanonimiseerd te produceren.

 Onderbouwing 1,5 meter
De 1,5-meter-regel is de kern van het maatregelenbeleid waaraan hardnekkig vastgehouden lijkt te worden. Deze maakt ook onderdeel uit van de WHO-strategie. Dit is opvallend. Zoals in de dagvaarding toegelicht, raadde de WHO in het afgelopen oktober gepubliceerde onderzoek deze maatregel nog af als onethisch en schadelijk. Ook em. professor immunologie dr. P. Capel benadrukt dat deze maatregel niet alleen psychisch doch ook fysiek ernstige schade veroorzaakt. Eisers vorderen dan ook de onderbouwing van deze maatregel waaruit volgen kan dat deze maatregel effectief en noodzakelijk is.

 Protocollen autopsies
Alle stukken waaruit blijkt wat het beleid is met betrekking tot autopsie van COVID-19-sterfgevallen. Hoeveel zijn er uitgevoerd? Wat waren de resultaten? Deze zijn noodzakelijk omdat er sterke aanwijzingen voorliggen dat de overlijdensstatistieken onnauwkeurig zijn.

111. Voor het recht op inzage op grond van artikel 843a Rv zijn vier cumulatieve
voorwaarden gesteld, namelijk:

a. eiser dient een rechtmatig belang bij afgifte of inzage te hebben;
b. het moet gaan om bepaalde bescheiden;
c. die bescheiden moeten zien op een rechtsbetrekking waarin eiser partij is;
d. die bescheiden moeten ter beschikking staan of onder berusting zijn van degene tegen wie afgifte of inzage daarvan wordt gevorderd.

112. Uit het voorgaande blijkt dat het gaat om bepaalde, in alinea 109 specifiek omschreven bescheiden. Dit zijn noodzakelijke bewijsmiddelen teneinde aan te tonen dat er sprake is van onrechtmatige besluitvorming. Het onrechtmatige handelen van gerekwestreerde blijkt enkel uit de bij gedaagde in bezit zijnde voornoemde (digitale) bescheiden.

113. De rechtsbetrekking die aan de orde is betreft een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW van de Staat. De hieruit voortvloeiende verbintenis te kwalificeren als “rechtsbetrekking” in de zin van artikel 843a Rv en vormen als zodanig een grondslag voor het bewijsbeslag als verzocht in dit verzoekschrift. Uit de Memorie van Toelichting bij de totstandkoming van het artikel 843a Rv in 2001 blijkt dat de rechtsbetrekking ook een verbintenis uit onrechtmatige daad kan zijn.

114. Aan al deze voorwaarden is voldaan. Eisers hebben een rechtmatig belang bij afgifte of inzage. Dat de stukken zich onder het RIVM bevinden, staat eveneens buiten discussie.

Ontvankelijkheid Eisers
115. Eiser sub 1 komt op grond van artikel 3:305a BW op voor een algemeen belang, welk belang zij volgens haar statuten behartigt. Aan de eisen van artikel 3:305a BW is voldaan. Er is een toereikende statutaire doelomschrijving en zij ontplooit activiteiten op het gebied van bescherming van grondrechten. Uit een aan de Tweede Kamer aangeboden petitie volgt dat de Stichting de ondersteuning heeft van meer dan een half miljoen ondertekenaars. Eisers hebben verder getracht door overleg het in deze procedure gevorderde te bereiken. Meermaals is zowel schriftelijk als telefonisch verzocht de stukken te overleggen. Dit heeft niet tot resultaat geleid.

116. Eisers sub 2 en 3 hebben de Nederlandse nationaliteit en verblijven in Nederland. Daarmee worden zij in het dagelijkse leven rechtstreeks in het uitoefenen van hun grondrechten beperkt.

Bevoegdheid

117. De Rechtbank Utrecht is krachtens artikel 99 Rv. bevoegd om van het geschil kennis te nemen aangezien het RIVM gevestigd is en kantoor houdt te Bilthoven in het arrondissement Midden-Nederland. Het RIVM is volgens de Wet op het RIVM een publieke rechtspersoon en heeft een zelfstandige inschrijving in het Handelsregister.

Spoedeisend belang

118. Het spoedeisende belang volgt eo ipso uit het hiervoor gestelde. De stukken waarvan exhibitie gevorderd wordt, zijn essentieel voor verwezenlijking van de materiële rechten van eisers in het kader van een aansprakelijkheidsstelling. Een bodemprocedure zou onnodig vertragend werken. Daarbij leent de vordering voor een beoordeling in het kader van een voorlopige voorziening.

Bewijsaanbod

119. Zonder enige bewijslast op zich te willen nemen die rechtens niet op eisers rust, bieden zij bewijs aan van al hun stellingen door alle middelen rechtens.

MITSDIEN:
het U Edelachtbare Heer/Vrouwe Voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland, vestigingsplaats Utrecht moge behagen bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen om binnen tien dagen na het wijzen van dit vonnis aan eisers na het wijzen van dit vonnis aan eisers inzage en afschrift te verschaffen van de onder kantnummer 110 opgesomde bescheiden met veroordeling van gedaagden in de kosten van de procedure.

Mijn rekwiranten verklaren dat zij de omzetbelasting kunnen verrekenen in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968 en dat voorts de eventueel gemaakte verschotten noodzakelijk waren om de onderhavige ambtshandeling te kunnen verrichten en dat ik, deurwaarder, rechtstreeks noch middellijk enig belang heb in de onderneming die de kosten factureerde.

De kosten dezes zijn voor mij deurwaarder, € 76,31 excl. BTW

Handtekening (t.-k.-) gerechtsdeurwaarder

De advocaat

Meld je aan voor de nieuwsbrief