DutchEnglishFrenchGerman

Amtsgericht Weimar: verbod op onbewezen werkende maatregelen   

In navolging van Portugal en Oostenrijk heeft ook in Duitsland een rechtbank, het Amtsgericht Weimar, op 8 april jl, een uitspraak gedaan die de coronamaatregelen met de grond gelijk maakt omdat er geen goede wetenschappelijke basis voor is.  Het was de eerste rechtszaak in Duitsland waarin de rechter de moeite nam om drie gerenommeerde deskundigen te horen over de werkzaamheid van de genoemde maatregelen. In onderstaand artikel heeft mr. Hanno Wisse uitgebreid de uitspraak geanalyseerd en legt ons uit waarom de uitspraak belangrijk en goed onderbouwd is. 

  • 1. Inleiding

Op 8 april 2021 kwam er in Duitsland een sensationele rechterlijke uitspraak uit. Het Amtsgericht Weimar (hierna: het Amtsgericht), een familierechtbank, verbood het voorschrijven van mondkapjes, social distancing en sneltesten (hierna: de coronamaatregelen) op de twee scholen van de kinderen van de eiser. Ook beval de rechter toegang tot fysiek onderwijs voor alle leerlingen van deze scholen.

Het ging om een spoedprocedure waarin de familierechtbank met onmiddellijke ingang een voorlopige voorziening trof. Het was de eerste rechtszaak in Duitsland waarin de rechter de moeite nam om drie gerenommeerde deskundigen te horen over de werkzaamheid van de genoemde maatregelen. Hun deskundigheidsadviezen maken integraal onderdeel uit van het vonnis. Een ware schatkamer voor wie is geïnteresseerd in de vraag naar het wetenschappelijke bewijs achter de coronamaatregelen. 

Later, op 20 april 2021, oordeelde de bestuursrechtbank van Weimar, het Verwaltungsgericht Weimar, dat het Amtsgericht zijn boekje te buiten zou zijn gegaan. Schoolautoriteiten terechtwijzen zou uitsluitend een bevoegdheid van de bestuursrechter zijn.  

Verder zou het Amtsgericht niet de gefundeerde meerderheid van wetenschappelijke deskundigen hebben gevolgd, maar slechts een paar zelfgeselecteerde deskundigen uit de marge. Opvallend is echter dat de bestuursrechter deze bewering verder niet onderbouwt. Hij laat het bij een schamele verwijzing naar een suggestief artikel verschenen in Deutschlandfunk, een Duitse mainstream news site. In dat artikel wordt slechts één van de drie door het Amtsgericht gehoorde deskundigen, enkel op grond van een paar subjectieve impressies van een van zijn studenten, als coronaontkenner afgeschreven. Alsof dat een houdbaar argument zou kunnen opleveren. 

Beroep tegen deze uitspraak bij de hoogste bestuursrechter van Deelstaat Thüringen, het Oberverwaltungsgericht Thüringen staat nog open. 

Op 26 april viel de Duitse justitie binnen bij Christian Dettmar, de familierechter van Amtsgericht Weimar die op 8 april het verbod op de coronamaatregelen voor twee scholen beval. De politie doorzocht zijn kantoor, privé vertrekken en auto. Zijn telefoon is in beslag genomen. Het Verwaltungsgericht oordeelde dat het Amtsgericht niet bevoegd was tot de uitspraak van 8 april. Het lijkt erop dat deze uitspraak is gebruikt om op grond van artikel 339 Straf Gesetz Buch (StGB), Duits Wetboek van Strafrecht, een aanklacht tegen Dettmer te formuleren: Rechtsbeugung, letterlijk: verbuiging van het recht. Hij zou het recht bewust naar eigen hand hebben gezet. 

Van Rechtsbeugung is echter niet zomaar sprake. Zomaar een verkeerde beoordeling van een rechter valt daar bijvoorbeeld niet onder. Vereist is dat de rechter dwingende rechtsregels, die in klare taal zijn opgesteld, opzettelijk aan zijn laars heeft gelapt. Dat is echter niet zo eenvoudig om te bewijzen. Het komt wel vaker voor dat een rechter achteraf in een zaak onbevoegd wordt verklaard. Tot een aanklacht als Rechtsbeugung leidt dit echter zelden. Dat zou immers de vereiste onafhankelijkheid van rechters, in Duitsland gegarandeerd door artikel 97 Gründgesetz, de Duitse grondwet, in gevaar brengen. Het automatisme waarmee in deze zaak wordt aangenomen dat sprake zou zijn van Rechtsbeugung doet daarom vermoeden dat er een politiek motief achter deze aanklacht schuilt.  

Op 1 mei zullen de Duitse advocaten Beate Bahner, Ralf Ludwig en Markus Haintz bij wijze van protest witte rozen neerleggen voor het Amtsgericht Weimar. De witte rozen bevatten een historische verwijzing naar een verzetsgroep Weisse Rose die opriep tot geweldloos verzet tegen het nazi regime van juni 1942 tot februari 1943, het moment waarop de belangrijkste leden werden opgepakt om te worden berecht en geëxecuteerd. 

Het is in dit verband niet nodig om in te gaan op vraag of het Amtsgericht wel of niet bevoegd was, hoe interessant dit ook moge lijken. Helder is dat het Verwaltungsgericht door het Amtsgericht onbevoegd te verklaren eenvoudigweg aan de beantwoording van de bewijsvraag voor de coronamaatregelen door het Amtsgericht voorbij kon gaan. Het Verwaltungsgericht ondernam, zoals eerder reeds geconstateerd, ook geen serieuze poging tot weerlegging daarvan. De beoordeling van de wetenschappelijke onderbouwing van de coronamaatregelen door het Amtsgericht behoudt daarom argumentatieve waarde voor andere rechtszaken waarin dezelfde maatregelen centraal staan. 

In dit artikel ligt de focus op de vraag hoe het Ambtsgericht Weimar tot de overtuiging kwam dat een verbod op de coronamaatregelen voor twee scholen noodzakelijk was. Dat gebeurt voornamelijk aan de hand van Deel II van het 178 pagina’s tellende vonnis, getiteld: ‘Begründheit der Anregung an das Familiengericht’, vertaald: gegrondheid van het verzoek aan de familierechtbank, vanaf p. 165. De nadruk zal daarbij liggen op de feitelijke kant van de zaak.

  • 2. Juridische kern

Het Amtsgericht baseert zich in de eerste plaats op artikel 1666 lid 1 van het Bürgerliches Gesetz Buch (BGB), Duitse Burgerlijk Wetboek, waar staat dat de familierechtbank de nodige maatregelen moet treffen indien het lichamelijke, geestelijke of psychische welzijn van het kind of zijn goederen in gevaar is en de ouders niet bereid of in staat zijn het gevaar af te wenden. Het Amtsgericht concretiseert dat het moet gaan om een zodanig actueel gevaar dat bij een verdere ontwikkeling zonder ingrijpen met een hoge mate van zekerheid aanzienlijke schade te voorzien is. In lid 4 staat expliciet geregeld dat de familierechtbank als het gaat om zorg voor personen ook maatregelen jegens derden kan bevelen. 

Het Verwaltungsgericht oordeelde meer specifiek dat op grond van eerdere rechtspraak hier onder “derden” alleen private partijen en geen officiële dragers van overheidsgezag zouden mogen worden begrepen. Voor officiële dragers van overheidsgezag zou namelijk enkel de bestuursrechtelijke rechtsgang gereserveerd zijn. Het Amtsgericht zou daardoor niet bevoegd zijn. Het is niet belangrijk om hier verder op deze kwestie in te gaan. In elk geval lijkt het om een verschil in interpretatie te gaan, niet om opzijzetting van rechtsregels die maar voor één enkele uitleg vatbaar zijn.   

Het Amtsgericht vervolgt met te stellen dat op grond van artikel 1697a BGB de familierechtbank ambtshalve bevoegd is om maatregelen te treffen in een zaak die bij haar aanhangig is gemaakt. Dat betekent dat in die zaak het Amtsgericht niet is gebonden aan de voorstellen die partijen doen. 

Het Amtsgericht acht zich bevoegd om indien dat noodzakelijk is, niet alleen voor de kinderen van de eiser, maar gelijk voor alle andere kinderen op de betreffende scholen maatregelen te treffen. Het Amtsgericht beroept zich daarvoor op het gelijkheidsbeginsel van artikel 3 Gründgesetz en op artikel 6 Gründgesetz wat de staat gebiedt om voor de veiligheid van kinderen zorg te dragen. De redenering is dat het op grond van het gelijkheidsbeginsel onverantwoord zou zijn dat de staat haar beschermingsplicht alleen maar aan de kinderen van de eiser ten goede zou laten komen. 

Het Amtsgericht geeft echter nergens expliciet in zijn vonnis aan waarom op grond van deze redenering niet alle in Deelstaat Thüringen schoolgaande kinderen zijn geïmpliceerd, maar slechts de kinderen die naar de twee betreffende scholen gaan.  

Het Amtsgericht verklaart vervolgens de betreffende corona maatregelen, uitgevaardigd door Deelstaat Thüringen, ongrondwetig, want in strijd met het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 20 en 28 van het Gründgesetz. Het Amtsgericht baseert zich voor zijn bevoegdheid hiertoe onder meer op eerdere rechtspraak van het Bundesverfassungsgericht, het constitutionele hof van Duitsland.

Maatregelen ter nastreving van een legitiem doel moeten geschikt, noodzakelijk en evenredig zijn in enge zin, ofwel als resultaat van een afweging van de voor- en de nadelen.  

Het Amtsgericht voert verder aan dat maatregelen zonder bewijs op grond van artikel 1 lid 2 van het Infektions Schutz Gesetz (IfSG) bij voorbaat ongeschikt zijn om op zich legitieme doelen als het voorkomen van overbelasting van de gezondheidszorg of het verminderen van besmettingen met het virus na te streven. Daar komt bij dat de betreffende maatregelen onevenredig zijn omdat ze niet leiden tot waarneembare voordelen voor de kinderen of voor derden, maar wel tot aanzienlijke nevenschade.    

Deelstaat Thüringen liet in het geheel na om de corona maatregelen wetenschappelijk afdoende te motiveren en te onderbouwen waarom deze evenredig zouden zijn. 

Het Amtsgericht wijst er tevens op dat de kinderen recht hebben op toegang tot onderwijs op grond van artikel 28 en 29 VN Verdrag voor de rechten van het kind, waarvan het Amtsgericht aanneemt dat deze rechtstreeks van toepassing zijn in Duitsland. Het Amtsgericht benadrukt daarbij de onderwijsdoelstelling van artikel 29. Fysiek onderricht past daar beter bij dan online onderwijs. 

Tot slot overweegt het Amtsgericht dat de ouders evident niet in staat zijn om het geschetste gevaar af te wenden. Het naderende einde van de Paasvakantie brengt spoedeisend belang met zich mee. 

De juridische kern van het vonnis is hiermee gegeven. Er komt meer aan bod, maar voor dit artikel heeft het weinig toegevoegde waarde om daar uitgebreid op in te gaan.

  • 3. Mondkapjes

Deskundige Prof. Dr. med. Ines Kappstein (hierna: Kappstein), gespecialiseerd in microbiologie, virologie en infectie-epidemiologie en tevens specialist in hygiëne en milieugeneeskunde, heeft alle internationale wetenschappelijke gegevens over mondkapjes bijeengebracht en geëvalueerd in haar uitgebreide deskundigheidsadvies aan het Amtsgericht. Haar deskundigheidsadvies is integraal in vonnis opgenomen: pagina 20 t/m pagina 108, inclusief notenapparaat: pagina 99 t/m108. Daaruit blijkt dat er geen enkel wetenschappelijk bewijs bestaat dat mondkapjes voor gezonde personen in het openbaar effectief zijn. Deskundige Prof. Dr. Christof Kuhbandner (hierna: Kuhbandner), ontwikkelingspsycholoog en expert op het gebied van wetenschappelijke methoden en diagnostiek, bevestigt dit. Zijn deskundigenadvies is eveneens integraal opgenomen in het vonnis: pagina 108 t/m 144. 

Ook waar internationale gezondheidsautoriteiten pleiten voor het dragen van mondkapjes geven zij vaak tegelijkertijd toe dat hier geen goede wetenschappelijke onderbouwing voor bestaat.  

Kappstein stelt dat alle publicaties waarnaar wordt verwezen om de effectiviteit van mondkapjes in de openbare ruimte te staven, deze conclusie ondertussen niet toestaan. Dit geldt ook voor waar het Robert Koch Instituut (RKI), het Duitse RIVM, spreekt van “bescherming van derden” en “ongemerkte overdracht” om zijn “herevaluatie” van het dragen van mondkapjes te rechtvaardigen. 

Belangrijk is verder om voorop te stellen dat plausibiliteit, wiskundige schattingen en subjectieve beoordelingen in opiniestukken klinisch-epidemiologisch onderzoek op bevolkingsniveau niet kunnen vervangen. De resultaten van gedegen empirisch onderzoek horen hier het zwaartst te tellen. Desalniettemin hebben de resultaten in al deze gevallen, dus ook in geval van empirisch onderzoek, een beperkte verklarende kracht en is de kwaliteit van het onderzoek matig omdat het weinig zegt over het dragen van mondkapjes in het openbare leven.                  

Volgens Kuhbandner leveren de observationele studies, laboratoriumstudies naar het filtereffect van het mondkapje en modelleringsstudies, waarop de aanbevelingen van het RKI op zijn gebaseerd, op z’n best slechts mager bewijs op. De gebruikte methodologie is namelijk te reductionistisch om uit dat bewijs geldige conclusies kunnen te trekken over het effect van het gebruik van mondkapjes in het openbare leven. Het is vrijwel onmogelijk om het werkelijke gebruik van een mondkapje na te bootsen in een onderzoeksopstelling of te modelleren. Meestal gaat het om onderzoek naar deelaspecten. Bovendien zijn de tot nu toe bereikte onderzoeksuitkomsten heterogeen. 

De Randomised Control Trials (RCT’s), die vanwege het randomiseren van deelnemers, verdeeld over een experimentgroep en een controlegroep, boven obeservationele studies gaan, geven zelfs geen enkele aanleiding om te stellen dat mondkapjes effectief zouden kunnen zijn in het openbare leven. De enige uitgebreide RCT naar het gebruik van katoenen mondkapjes wees eerder uit dat ze het infectierisico verhogen, als gevolg van de verkeerde hantering van het mondkapje.  

Veel onderzoek houdt onvoldoende rekening met de verstorende factoren als langdurig en verkeerd gebruik. Kappstein bevestigt dat veelvoorkomende verkeerd gebruik het infectierisico verhoogd. Burgers zijn door overheden onvoldoende voorgelicht over een juist gebruik en raken hun mondkapje voortdurend aan.    

Kuhbandner wijst erop dat deze hanteringsproblemen bij jongeren en kinderen groter zijn dan bij volwassenen, wat vanwege het verhogen van het infectierisico schadelijk is. 

Bovendien komen infecties op scholen zonder mondkapjes op zich al zeer zelden voor, waardoor het netto effect van mondkapjes, als ze al positief zouden uitwerken, alleen al om deze reden verwaarloosbaar is. 

Volgens Kappstein is de huidige vermeende toename van het aantal positieve gevallen op scholen louter te danken aan het feit dat het aantal testen de laatste weken flink is gestegen. Omdat het infectierisico, volgens onderzoek, in het algemeen laag is op scholen, bestaat er geen grond tot vrees dat een nieuwe mutant zal zorgen voor significante stijging van het aantal besmettingen op scholen.

Volgens Kuhbandner is er duidelijk en indrukwekkend bewijs dat het langdurig dragen van mondkapjes schadelijk kan zijn in het algemeen en voor kinderen in het bijzonder. Dat laatste blijkt onder meer uit de publicatie in het Monatschrift Kinderheilkunde, het maandelijks tijdschrift kindergeneeskunde, over de resultaten van ’s werelds eerste register voor bijwerkingen van mondkapjes. Binnen een week na de start van dit register hadden al 20.353 mensen gegevens ingevoerd. Het artikel focust op de oudermeldingen die in totaal 25.930 kinderen betroffen. Daaruit bleek dat 68% van de kinderen klaagde over het mondkapje,13.811 kinderen last hadden van hoofdpijn, 12.824 van concentratieproblemen, 9.460 van slaperigheid, 7.700 van kortademigheid, 6.848 van duizeligheid, 5.365 van flauwvallen en 4.292 van misselijkheid. De gemiddelde draagtijd van het mondkapje bedroeg 260 minuten per dag. 

Meer in het algemeen vergroot het mondkapje het infectierisico, niet alleen door onjuist gebruik, maar ook doordat mondkapjes bij langdurig gebruik als reservoir voor ziektekiemen fungeren. Het gebruik van een mondkapje gedurende een schooldag is op geen enkel manier te vergelijken met het professionele mondkapjesgebruik door een chirurg, waarbij het mondkapje regelmatig wordt vervangen en de goed geventileerde werkruimte ter compensatie met extra zuurstof is gevuld. Bij langdurig mondkapjesgebruik bestaat het risico op het verschijnel van een maskermond: een nare geur, tandvlees en gebitsproblemen. 

Mondkapjesmateriaal kan ook nog eens gifstoffen bevatten die schadelijk zijn voor de gezondheid bij langdurige inademing. De lussen van mondkapjes kunnen bij jonge kinderen, waarbij het oorkraakbeen nog niet is volgroeid, de groei van het oor nadelig beïnvloeden. 

Bij ongediagnosticeerde aandoeningen kan het dragen van een mondkapje het risico op paniekaanvallen, toevallen en bewustzijnsstoornissen vergroten. Kinderen die om medische redenen geen mondkapje kunnen dragen lopen bij een mondkapjesplicht risico op discriminatie. Verder perkt het dragen van een mondkapje de non-verbale communicatie in, waardoor het vermogen tot empathie vermindert. Doordat de expressie van het mondgebied, wat vooral van belang is voor de communicatie van positieve emoties, is afgedekt, vervormt de emotionele communicatie vaak tot iets dat negatiever is dan bedoeld. Tevens beperkt het de verbale communicatie omdat de zichtbaarheid van de lippen daarvoor essentieel is. Dit terwijl communicatie nu juist zo belangrijk is voor het ontwikkelingsproces van kinderen. 

Tot slot is er geen goed onderzoeksmateriaal beschikbaar naar het dragen van mondkapjes voor kinderen gedurende lange tijd op grote schaal, waardoor de veiligheid hiervan niet kan worden gegarandeerd. Van belang is te beseffen dat kleine risico’s die bij een eventuele steekproef onopgemerkt blijven, bij een massaal experiment als de huidige mondkapjesplicht, plotseling van significant belang kunnen blijken te zijn. 

Mondkapjes op scholen zijn dus een ongeschikt en niet noodzakelijk middel voor de pandemiebestrijding, waarvan de belastende gevolgen niet opwegen tegen de positieve effecten.    

  • 4. Social distancing 

Kappstein acht de aerosol-theorie voor overdracht medisch ongeloofwaardig en wetenschappelijk onbewezen. De aerosol-theorie is vooral het speeltje van aerosol-fysici die vanuit hun vak de medische toepassing maar moeilijk kunnen maken. Samen met de theorie van de “ongemerkte overdracht” werkt deze theorie vooral ongefundeerde angst voor de medemens in binnenruimtes in de hand. 

1,5 meter (1-2 meter) afstand houden kan als een verstandige maatregel worden gezien wanneer een van de betrokkenen duidelijke ziekteverschijnselen toont. Maar er zijn hooguit aanwijzingen dat dit in dat geval verstandig zou kunnen zijn. Wetenschappelijk bewijs ontbreekt. 1,5 meter (1-2 meter) afstand houden, indien geen van de aanwezigen tekenen van verkoudheid vertoont, wordt door geen enkel onderzoek gestaafd. Ook contacten die nauwer zijn, zelfs met mensen die symptomen van verkoudheid vertonen, leveren geen risico op. Het contact is dan te kortstondig om druppelcontact te laten plaatshebben. Dat blijkt ook uit studies naar huishoudens waar mensen dicht op elkaar leefden, met frequent huid- en slijmvliescontact, waarbij slechts weinig mensen ziek worden als een van hen een infectie van de luchtwegen heeft. 

Uit een systematisch overzicht met meta-analyse naar overdracht binnen huishoudens, gepubliceerd in december 2020, blijkt een overdrachtspercentage van 18% bij symptomatische gevallen en slechts een uiterst geringe 0,7% bij asymptomatische gevallen. Rekening houden met asymptomatische overdracht is dus zinloos. 

Een plicht tot sociale distantie jegens iedereen op scholen is daarmee een ongeschikt, niet noodzakelijk middel, waarvan de belastende gevolgen de positieve effecten overtreffen.

  • 5. PCR-testen en sneltesten

Prof. Dr. rer. biol. hum. Ulrike Kämmerer (hierna Kämmerer), gespecialiseerd in menselijke biologie, immunologie en celbiologie, stelt dat een correct uitgevoerde PCR-test geen uitsluitsel kan geven of iemand besmet is met een ziekteverwekker. Ook haar deskundigheidsadvies is integraal in vonnis opgenomen: pagina 144-163. De PCR-test kan geen onderscheid maken tussen een niet reproductieve virus-rest die is achtergebleven na een eerder doorgemaakte infectie en een stukje RNA van een virus dat zichzelf kan vermeerderen. Een virusrest kan zich nog tot vele maanden na de doorgemaakte infectie in het lichaam bevinden. Kappstein bevestigt dit. 

Voor het detecteren van een infectie met Sars-CoV-2 in asymptomatische mensen is de PCR-test ongeschikt. Voor een deugdelijke diagnose dienen specifiekere instrumenten te worden ingezet, zoals isolatie van reproductieve virussen.

Daarbij zijn er twee factoren die van belang zijn bij het gebruik van de PCR-test: de doelgenen die de test meet en de ct-waarde ofwel het aantal amplificaties waarbij de test meet. Deze twee factoren kunnen worden gebruikt om de test te manipuleren. 

Zo is gedurende de pandemie het aantal doelgenen op instructie van de WHO teruggebracht van 3 naar 1. Kämmerer rekent voor dat het afnemen van 100.000 testen op mensen die niet besmet zijn, bij het gebruik van 1 doelgen resulteert in 2690 valse positieven, terwijl dit bij 3 doelgenen slechts 10 is. Een dergelijk verschil kan van beslissend belang zijn voor het wel of niet nemen van vrijheidsbeperkende maatregelen. 

De tweede factor betreft de ct-waarde. Volgens de wetenschappelijke consensus hebben alle resultaten die pas bij 35 amplificatiecycli zichtbaar worden wetenschappelijk geen waarde meer. Bij het zichtbaar worden van resultaten bij 26-35 cycli is er tevens een geslaagde viruskweek nodig om van een positief resultaat te spreken. 

De WHO had aanvankelijk voor de PCR-test voor Sars-CoV-2 echter een ct-waarde van 45 vastgesteld. 

Behalve deze twee factoren zijn er nog meer parameters om in de gaten te houden. De WHO schrijft voor dat voor een diagnose het oordeel van een arts beslissend is, niet slechts de testuitslag. Tevens schrijft de WHO voor dat wanneer een positief resultaat niet overeenkomt met de klinische bevindingen, opnieuw een test moet worden afgenomen. In dat geval moet ook differentiële diagnostiek worden toegepast. In de praktijk komt daar echter weinig van terecht.

Van een plicht tot gebruik van de PCR-test voor kinderen op scholen was gelukkig geen sprake. Een dergelijke plicht gold slechts voor het gebruik van sneltesten. 

De sneltest kan evenmin informatie verschaffen over besmettelijkheid omdat deze alleen eiwit componenten kan opsporen, zonder enig aantoonbaar verband met een reproductief virus. Positieve resultaten van deze test zouden vergeleken moeten worden met de resultaten van een viruskweek om zicht te krijgen op het percentage valse positieven. Dat is echter ondoenlijk, omdat de testomstandigheden zo variabel en oncontroleerbaar zijn. De lage specificiteit van deze test leidt tot een hoog percentage valse positieven, wat het nemen van vrijheidsberovende maatregelen bespoedigt. Testen onder asymptomatische personen testen drijft dit percentage nog eens verder op. 

Kuhbandner legt uit dat volgens berekeningen van het RKI de kans dat daadwerkelijk besmetting optreedt bij een positief resultaat slechts twee procent is bij een incidentie van 50 (specificiteit van de test 80%, gevoeligheid van de test 98%) bij massale tests met sneltests, ongeacht de symptomen. Dit zou betekenen dat voor elke twee correct-positieve resultaten van de snelle test er 98 fout-positieve resultaten zouden zijn, die dan allemaal opnieuw met een PCR-test zouden moeten worden getest. Dat laat zien dat de sneltest onbetrouwbaar is. 

Gebaseerd op onderzoeken in Oostenrijk, waar in de lagere scholen geen maskers worden gedragen, maar in het hele land driemaal per week snelle tests worden uitgevoerd, stelt Kuhbander:

100.000 basisschoolleerlingen zouden alle neveneffecten van het dragen van een masker gedurende een week moeten verdragen om slechts één infectie per week te voorkomen. Dat is evident een absurde verhouding. 

In oktober 2020 heeft Prof. Dr. John Ioannidis bovendien in het WHO Bulletin gepubliceerd dat de Infection Fatality Ratio (IFR) voor corona slechts 0,23% is, wat overeenkomt met matige griepepidemieën.  

Onder het veelgebruikte begrip “incidentie” wordt het optreden van nieuwe infecties bij een bepaalde groep personen verstaan die herhaaldelijk worden getest. Kämmerer wijst erop dat in de praktijk echter een ongedefinieerde groep personen in ongedefinieerde perioden wordt getest. Dat beïnvloedt de incidentie op een oneigenlijke manier. Als de groepsgrootte en de testfrequentie niet vastliggen, dan is niet meer helder of de uitkomsten door het virus of door deze slordigheden worden veroorzaakt.  

Kuhbandner stelt dat naast een mondkapje en het praktiseren van sociale distantie, ook het ondergaan van voortdurend testen bijdraagt aan het opwekken en instandhouden van angsten bij kinderen. Op latere leeftijd kunnen die daardoor gemakkelijker uitgroeien tot angststoornissen met een blijvend karakter. 

Er ligt inmiddels genoeg bewijs dat de maatregelen een negatieve impact hebben op de psychische gezondheid van mensen in het algemeen en kinderen in het bijzonder. 

  Het opleggen van een plicht tot sneltesten op scholen is dus ongeschikt, niet noodzakelijk en meer belastend dan dat het voordelen oplevert. 

  • 6. Slot

De beste samenvatting van de zaak schuilt in het illustere zinnetje uit het vonnis: “scholen spelen geen belangrijke rol bij de “pandemie”. Daarmee gaan alle genoemde maatregelen voor de twee betreffende scholen in een klap van tafel. 

De kracht van dit vonnis ligt vooral in het natrekken van bewijs voor de werkzaamheid van deze maatregelen in positieve en negatieve zin. Van een onbewezen maatregel die een legitiem doel dient kan nu eenmaal niet vast komen te staan dat deze noodzakelijk, geschikt en evenredig is. Dat is echter wel vereist. 

 Van belang is ook dat ongerijmdheden in het bewijs van het RKI worden blootgelegd. De rechterlijke macht is immers gewoon blind te varen op een gezaghebbend instituut als het RKI. Wat in deze gerechtelijke uitspraak niet gebeurt, maar wat wellicht aanbevelenswaardig zou zijn, is om om instituten als het RKI eens te toetsen op hun onafhankelijkheid. Wanneer het instituut de schijn van belangenverstrengeling geloofwaardig tegen krijgt, mag redelijkerwijs worden verwacht dat aangedragen bewijs door deskundige derden, wat haaks staat op dat van het RKI, automatisch aan belang wint. Althans in een gezond functionerende rechtsstaat.      

In elk geval geeft het geen pas om de opvatting van deze drie gerenommeerde deskundigen zomaar als vermeende mening uit de marge, opzij te schuiven, zonder op de inhoud in te gaan. Dat zou immers een vooroordeel zonder meer tot oordeel verheffen. Gemotiveerde weerlegging is toch wel het minste wat in dat geval is geboden.


[1] https://2020news.de/wp-content/uploads/2021/04/Amtsgericht-Weimar-9-F-148-21-EAO-Beschluss-anonym-2021-04-08_online.pdf

[2] http://www.vgwe.thueringen.de/webthfj/webthfj.nsf/C9FA973BC8E87282C12586BD003B4BA0/$File/21-8E-00416-B-A.pdf

[3] https://www.deutschlandfunk.de/corona-pandemie-wissenschaftler-die-corona-leugnen.680.de.html?dram:article_id=493048

[4] Prof. Dr. med. Ines Kappstein, hygiëniste, is gespecialiseerd in microbiologie, virologie en infectie-epidemiologie en tevens specialist in hygiëne en milieugeneeskunde. Haar habilitatie was op het gebied van ziekenhuishygiëne. Van 1998 tot 2006 werkte zij in het Klinikum rechts der Isar van de Technische Universiteit van München. Van 2006 tot 2016was zij hoofdarts van de afdeling Ziekenhuishygiëne van de Kliniken Südostbayern AG van de districten Traunstein en Berchtesgadener Land. Sinds 2017 heeft zij als zelfstandige de leiding over verschillende acute, specialistische en revalidatieklinieken. Zie ook het oordeel van het Amtsgericht, p. 20.

[5] Prof. Dr. Christof Kuhbandner is hoogleraar psychologie, voorzitter van de vakgroep onderwijspsychologie aan de Universiteit van Regensburg en een expert op het gebied van wetenschappelijke methoden en diagnostiek. Zie ook  het oordeel van het Amtsgericht, p. 108. 

[6] Prof. Dr. rer. biol. hum. Ulrike Kämmerer vertegenwoordigt in het Universitair Ziekenhuis Würzburg, Vrouwenziekenhuis, in het bijzonder de belangrijkste gebieden van de menselijke biologie, immunologie en celbiologie. Zie ook het oordeel van het Amtsgericht, p. 144.

Meld je aan voor de nieuwsbrief