“Spoedwet” betekent einde van de rechtsstaat

Wet normaliseert “noodtoestand” 

Door mr. Jeroen Pols

Rotterdam – 23 oktober 2020 – De boete voor illegaal knuffelen met grootmoeder daalde van 435 naar 95 euro. Ook mag de Tweede Kamer zich uitspreken over voorgenomen maatregelen. De minister kan zonder toestemming van het parlement de looptijd met telkens drie maanden in plaats van zes maanden verlengen. GroenLinks ging om. Een vergissing, want ook de omgebouwde wet luidt het einde van de rechtsstaat in.

De regering stuurde het gewijzigde wetsvoorstel op 13 oktober naar de Eerste Kamer. De regeling biedt een juridische basis voor “een samenleving waarin het houden van afstand en andere gedragsvoorschriften van groot belang zijn.” De ministers stellen dat de wet een versterking van de democratische legitimatie betekent en een betere bescherming van grondrechten tegenover de bestaande praktijk. Dat mag zo zijn, maar is de huidige situatie de maat der dingen geworden? Vergeleken met de situatie vóór corona is en blijft het wetsvoorstel een gedrocht dat geen plaats heeft in een democratische rechtsstaat.

Normerende werking

De regering erkent dat de maatregelen “een abnormaal karakter” hebben en buiten crisistijd niet voorstelbaar zijn. De maatregelen hebben volgens haar een normerende werking en zijn bedoeld om een gedragsverandering te bewerkstelligen. Het is des te opmerkelijker dat de regering geen enkel uitzicht biedt op een einde aan deze situatie. “Niet langer dan noodzakelijk”, is namelijk een rekbaar begrip. Uit de toelichting bij de wet is af te leiden dat deze situatie voor de lange termijn voortduurt. Het tijdelijke wordt daarmee het “nieuwe normaal.”

Criterium

De ministers mogen de bevoegdheden uitsluitend gebruiken “voor zover dit noodzakelijk is ter bestrijding van de epidemie of de directe dreiging daarvan.”  Maar wanneer is er sprake van een epidemie of een directe dreiging? Waar voor de griep een exacte definitie voorligt, ontbeert dit wetsvoorstel elk criterium. Daarmee is er sprake van een epidemie of dreiging daarvan “als de minister dat zo vindt.”

Dit is een ernstige tekortkoming. Wanneer een noodsituatie inperking van grondrechten rechtvaardigt, moet het beleid gericht zijn op een zo spoedig mogelijk herstel van die grondrechten. Het vaststellen van concrete criteria is daarbij onmisbaar. Dat streven naar normaliteit ontbreekt hier. De bevolking wordt met dit wetsvoorstel blootgesteld aan de willekeur van beleidsmakers. Dat past niet in een rechtsstaat.

Daarbij dienen de maatregelen te voldoen aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Ook deze begrippen verloren hun betekenis. Een afweging van de te verwachten schade en opbrengsten dan wel ten opzichte van minder vergaande maatregelen ontbreekt.

De feiten doen vermoeden dat de regering dergelijke afwegingen nimmer maakte. Door dit te accepteren liet de Tweede Kamer op grove wijze verstek gaan. Hiermee ontbreekt elke legitimatie voor deze wet.

Parlementaire controle

Maatregelen worden voortaan bij ministerieel besluit vastgesteld en binnen twee dagen aan de Eerste en Tweede Kamer voorgelegd. Als de Tweede Kamer binnen een week besluit niet in te stemmen, vervalt de regeling.

Deze stemming vindt pas plaats nadat minimaal 50 Kamerleden dit verzoeken. Er is dus geen sprake van een bekrachtigingsrecht door de Kamer. De Eerste Kamer krijgt daarentegen geen instemmingsrecht.

Hoewel dit niet in overeenstemming met de strekking van artikel 103 Grondwet – de Staten-Generaal beslist gezamenlijk over grondrechten inperkingen tijdens een noodtoestand – is dit vanzelfsprekend een verbetering ten opzichte van het eerste ontwerp. Daarin had de volksvertegenwoordiging geen inspraak.

Toch kunnen de ministers in geval van een zeer dringende omstandigheid maatregelen direct laten ingaan. De regeling vervalt indien de Tweede Kamer binnen een week besluit niet in te stemmen.

Ontheffingsbevoegdheid burgemeester

De burgemeester krijgt in de wet de bevoegdheid om vrijstellingen te verlenen. Zo bepaalt hij of er een samenkomst georganiseerd mag worden met meer personen dan door de minister is vastgesteld.

Ook voor het gebruik van theaters, bioscopen en andere publieke plaatsen is toestemming van de burgemeester vereist. Hetzelfde geldt voor evenementen, waaronder voorstellingen of feesten, en het uitoefenen van beroepen waarbij de “veilige afstand” niet aangehouden kan worden.

Zelfs het gebruik van alcoholische dranken buiten de woning is afhankelijk van de toestemming van de burgemeester. Dit betekent feitelijk dat hij bepaalt of een bruiloft of feest georganiseerd mag worden. Feitelijk is alles verboden tenzij de burgemeester toestemming verleent.

Om maatwerk mogelijk te maken, krijgen burgemeesters ook de bevoegdheid plaatsen aan te wijzen waar het dragen van beschermingsmiddelen verplicht is.

Huisrecht

In tegenstelling tot het eerste ontwerp, wordt de woning in het huidige voorstel uitgezonderd van de maatregelen. Dit betekent niet dat onze privacy achter de voordeur veilig is.

De minister maakt namelijk een duidelijk voorbehoud omdat het “huisrecht geen absoluut grondrecht is”. Beperkingen van het huisrecht zijn volgens hem ook mogelijk bij woningen. Deze uitlating is reden voor grote alertheid. De ervaring leert inmiddels dat de grenzen van de rechtsstaat in snel tempo vervagen.

Veilige afstand

De verplichting om een “veilige afstand” te houden tot de medemens blijft de kern van het beleid. Op dit moment bedraagt deze 1,5 meter. Maar de minister kan dit bij ministerieel besluit aanpassen.

Deze afstand geldt niet voor mensen die op hetzelfde adres wonen, opsporingsambtenaren, beveiligingsmedewerkers, zorgverleners, mantelzorgers, geestelijk verzorgers, politie, brandweer, krijgsmacht en werknemers in de kinderopvang. Personen die eerste hulp verlenen zijn in tegenstelling tot het eerste ontwerp ook uitgezonderd.

Een andere uitzonderingscategorie zijn begeleiders van gehandicapten of kinderen tot twaalf jaar oud “voor zover de afstand niet aangehouden kan worden buiten de woning.”

Zelfs mensen die een liefdesrelatie met elkaar onderhouden maar niet officieel samenwonen, zijn buiten de deur strafbaar indien zij niet de voorgeschreven afstand aanhouden. De minister vindt het “spijtig dat de mensen niet het leven kunnen leiden dat zij voor de uitbraak van de epidemie gewend zijn.” Een schrale troost.

Iemand die alleen woont, kan buiten de deur nooit meer anderen ontmoeten zonder de veilige afstand aan te houden. Kleinkinderen boven de dertien jaar kunnen hun oma niet meer knuffelen zonder zich strafbaar te maken. Dit geldt vanzelfsprekend ook voor ouders en kinderen die niet meer thuis wonen. Feitelijk verbiedt deze wet menselijk gedrag. Mogelijk een unicum in de geschiedenis.

Groepsvorming

De minister bepaalt hoeveel mensen maximaal bijeen mogen komen. De wet maakt een uitzondering voor religieuze bijeenkomsten, vergaderingen of betogingen, verkiezingen en bijeenkomsten van het openbare bestuur.

Uitvaarten zijn niet uitgezonderd. De minister maakt hier een uitdrukkelijk voorbehoud. Het kan noodzakelijk zijn om bij begrafenissen een maximaal aantal bezoekers vast te stellen.

Openstelling publieke plaatsen

De minister wijst bij ministeriële regeling publieke plaatsen aan die niet of slechts beperkt opengesteld mogen worden. Hierbij kan een maximum aan het aantal personen gesteld worden.

De minister heeft hiermee de bevoegdheid winkels, sportscholen, horecabedrijven en andere sectoren geheel of gedeeltelijk te sluiten.

Rechtbanken, stemlokalen, en vergaderruimtes voor het openbaar bestuur zijn in tegenstelling tot het eerste wetsontwerp uitgezonderd.

Evenementen

Het evenementenbegrip omvat in de wet ook bioscoop- en theatervoorstellingen, markten, kansspelen, dansgelegenheden, vertoningen, speelgelegenheden en sportwedstrijden. De minister bepaalt of en welke evenementen onder welke voorwaarden toegelaten worden.

Overige regels

De minister bepaalt welke “hygiëne en persoonlijke beschermingsmiddelen” verplicht zijn. Zo kan hij het dragen van mondkapjes en handschoenen voorschrijven op plaatsen waar het niet mogelijk is om veilig afstand te houden.

Het uitoefenen van beroepen waarbij de minimumafstand niet aangehouden kan worden, mag de minister eveneens verbieden of beperken.

Het beperken van de bezettingsgraad of sluiting van hotels en andere logementen behoort ook tot de mogelijkheden. De minister kan de verkoop van alcoholhoudende dranken verbieden. De regering vreest dat mensen die alcohol nuttigen hun angst voor het virus verliezen. Dat moet voorkomen worden.

Ook op basis van de Wegenverkeerswet kunnen regels gesteld worden ter bestrijding van de epidemie.

Verpleeghuizen en gehandicapteninstellingen

In de eerste maanden van de crisis speelden zich wanhopige taferelen af in de verpleeghuizen en gehandicapteninstellingen door beperkingen van het bezoekrecht en gedwongen quarantaines. De minister erkent inmiddels dat een zorgaanbieder de bewoners niet gedwongen kan binnenhouden. `

Dit gebeurde aanvankelijk wel op grote schaal. Dit is volgens de minister wederrechtelijke vrijheidsontneming. Een terechte constatering.

Het verlenen van zorg berust volgens hem zoveel mogelijk op vrijwilligheid. Deze vrijwilligheid reflecteert zich niet in zijn uitlatingen en bevoegdheden. Zo mag de minister voorwaarden stellen aan het toelaten van personen tot de instellingen.

Als een bewoner zich niet aan de maatregelen houdt, dan kan de zorgaanbieder een maatregel op grond van de Wet zorg en dwang of de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg opleggen. Een verplichte quarantaine op grond van de Wpg is volgens de minister ook mogelijk. Is een patiënt op grond van deze regelingen opgenomen, dan kan hij wel verplicht worden binnen te blijven.

Dit is volgens de minister mogelijk als de cliënt door ouderdom, verstandelijke handicap of psychische stoornis risico loopt op ernstig nadeel voor hemzelf of anderen. Daarvan is volgens de minister sprake als een dementerende oudere niet de noodzaak van de veilige afstandsnorm kan inschatten of onthouden. Dit is een zorgwekkende overweging. Demente ouderen hebben recht op bescherming. Zij hebben in hun laatste levensdagen echter ook recht op liefde en menselijke warmte.

Een directeur van een zorginstelling kan cliënten en bezoekers die niet meewerken, bij de minister melden. Die bepaalt dan of het bezoek aan een instelling beperkt wordt. De minister kan het bezoek beperken tot één familielid. Een uitzondering geldt voor een persoon waarvan de arts verwacht dat deze op korte termijn zal overlijden.

Zorgplicht publieke plaatsen

De beheerder van een voor publiek opengestelde plaats is verantwoordelijk voor de naleving van de gestelde regels en voorschriften. Dit is een verbetering van het eerste ontwerp waar ook de bezoekers strafbaar waren.

De burgemeester is bevoegd op te treden met dwangmaatregelen indien overtredingen geconstateerd worden. Ook gebouwen en plaatsen voor het belijden van godsdienst of levensovertuiging dienen maatregelen te treffen.

Personenvervoer

De minister krijgt de bevoegdheid om voorwaarden te stellen aan personenvervoer. Dit beperkt zich niet tot het openbaar vervoer. De minister kan ook autoverkeer beperken of verbieden. Dit biedt de mogelijkheid tot een mondkapjesplicht in de auto dan wel een maximum te stellen aan het aantal passagiers.

Onderwijsinstellingen

De minister kan onderwijsactiviteiten in onderwijsinstellingen geheel of deels verbieden. In plaats van verbieden kan ook gekozen worden voor beperkingen of het stellen van voorwaarden.

Een school kan besluiten tijdelijk of gedeeltelijk te sluiten vanwege organisatorische redenen, bijvoorbeeld wanneer een aantal leraren in thuisquarantaine zit en fysiek onderwijs niet voor alle leerlingen mogelijk is. Deze bevoegdheid brengt onrust en onzekerheid in het leven van kinderen en jongeren. Zij betalen een hoge prijs door deze maatregelen.

Ambtenaren van de onderwijsinspectie moeten de coronaregels handhaven.

Kinderopvang

Kinderopvang kan geheel of gedeeltelijk verboden worden. De wet maakt een uitzondering voor de kinderen van mensen met cruciale beroepen. De minister kan regels en hygiënevoorwaarden en persoonlijke beschermingsmiddelen stellen voor kindercentra, gastouderbureaus en gastouderopvang in woningen.

Ook deze regeling veroorzaakt onzekerheid. Ouders zijn afhankelijk van deze voorzieningen om te kunnen werken.

Last onder bestuursdwang

De minister krijgt de bevoegdheid om een last onder bestuursdwang of dwangsom op te leggen bij overtredingen. Deze bevoegdheid beperkt zich tot besloten plaatsen waar een beroep of bedrijf wordt uitgeoefend, zoals kantoren of slachterijen. Op andere besloten plaatsen krijgt de burgemeester deze bevoegdheid.

Vangnetbepalingen

De vangnetbepalingen uit de eerdere wetsontwerpen zijn verdwenen. Deze bepalingen gaven de minister de mogelijkheid om maatregelen door te voeren waarin de wet niet voorziet. Ook de mogelijkheid om opnieuw met noodverordeningen aan de slag te gaan, is verdwenen. Dit is op zichzelf een grote vooruitgang. Voor de BES-eilanden blijft deze mogelijkheid wel bestaan.

Straffen

De regering vindt handhaving van de maatregelen essentieel zodat hier in beginsel de voorgestelde strafmaxima passend zijn. Dit illustreert het repressieve karakter van dit beleid. Met veel tegenzin paste de minister de boetebedragen aan. Ook krijgen overtreders geen strafblad meer.

Op overtreding van de maximale groepsgrootte, het in strijd met de aanwijzingen van de minister openstellen van een publieke plaatsen als bijvoorbeeld restaurants, winkels of cafés of het houden van een evenement staat een strafmaximum van € 435 of zeven dagen hechtenis. Daarnaast blijft de mogelijkheid van zware bestuursrechtelijke maatregelen bestaan. De boete voor het niet aanhouden van de “veilige afstand” is verlaagd naar € 95.

Verlenging looptijd

De regering kan de looptijd van de wet telkens met drie maanden verlengen. Een week voorafgaande aan het besluit wordt dit aan de Eerste en Tweede Kamer voorgelegd. Een instemmingsrecht hebben de Kamers niet. Ook dit is een ernstige tekortkoming die de rechtsstaat verder afbreekt.

Conclusie

De Tweede Kamer stemde in met het wetsvoorstel. Het uiteindelijke ontwerp is onmiskenbaar een grote verbetering ten opzichte van het eerdere voorstel. Maar dat is relatief.

De belangrijkste vraag blijft waarom Nederland deze wet nodig heeft. De regering toont dit niet overtuigend aan. Een andere vraag is waarom gekozen werd voor repressie en angst zaaien in plaats van vrijwilligheid en een beroep op de eigen verantwoordelijkheid.

Deze wet zorgt voor een samenleving die tot in elke porie geïmpregneerd is met coronaregelingen. De minister krijgt de bevoegdheid om allesomvattend in het leven van de bevolking in te grijpen.

De regering voert al ruim acht maanden een onnavolgbaar en zwalkend beleid waarbij de doelen steeds wijzigden. De Nederlandse bevolking onderging de gevolgen van willekeurige, niet onderbouwde maatregelen die op ongekende wijze de grondrechten inperken. De economische, menselijke en maatschappelijke schade is enorm. Dit beleid wordt nu in een wet vastgelegd. De kiezer werd niets gevraagd.

Voor 98% van de bevolking vormt het virus geen groot gevaar. Het zijn vooral niet-vitale ouderen die geraakt kunnen worden. De regering bepaalde dat zij tegen elke prijs beschermd moeten worden. Naar de mening van onze ouderen vroeg niemand. Velen sleten hun laatste dagen in eenzaamheid, ver weg van hun naasten, en stierven ongelukkig.

Deze wet normaliseert een samenleving in noodtoestand. Een uitzonderingssituatie met vergaande grondrechtinperkingen is echter uitsluitend voor een beperkte termijn te rechtvaardigen. Bij een objectiveerbare rampsituatie wel te verstaan.

Een samenleving waarin normaal menselijk gedrag bestraft wordt, waar mensen elkaar niet mogen aanraken, waar de glimlach bedekt is onder een mondkapje, waar mensen angstig langs elkaar heen schuifelen, waar afstand houden tot andere mensen een deugd is, waar ouderen geïsoleerd worden om in eenzaamheid te sterven, die de kinderen en haar jeugd de onbezorgdheid wegneemt, waar kankerpatiënten niet behandeld worden om bedden vrij te houden voor coronagevallen en waar de angst regeert, is niet solidair maar eenzaam, liefdeloos en kil.

Onze liberale samenleving met elementaire vrijheden en waarden als onaantastbaarheid van het lichaam en zelfbeschikkingsrecht wordt bedreigd.

Als wij willen dat onze kinderen hun leven kunnen leiden in vrijheid zoals wij dat ook konden, dan is het belangrijk dit beleid nu te beëindigen. Deze wet mag er niet komen. De Eerste Kamer is nu aan zet.

Meer lezen:

concept-nota-naar-aanleiding-van-het-verslag (1)

Meld je aan voor de nieuwsbrief