Vonnis klap in gezicht rechtsstaat

Rechter geeft bestuur vrije hand bij inperking grondrechten

 Door mr. Jeroen Pols

ROTTERDAM – 26 juli 2020 – Vrijdag deed de voorzieningenrechter Hoekstra-Van Vliet uitspraak in het kort geding van Viruswaanzin tegen de Nederlandse Staat. De rechter wees alle vorderingen af. De strekking van het vonnis: De overheid heeft de vrije hand en is geen uitleg verschuldigd. Een nieuw dieptepunt in de Nederlandse Rechtsstaat.

“Het is de taak van de Staat om een verantwoord en consistent beleid te voeren, maar niet om individuen ervan te overtuigen dat de gekozen aanpak prevaleert boven alle andere mogelijkheden”, aldus de gevolgde redenering. Dit is een antwoord op een niet gestelde vraag. Mogelijk vindt Hoekstra dat burgers geen recht hebben op een onderbouwing van de noodzaak voor de inperking van hun  grondrechten. In een rechtsstaat is dat nu juist wel het geval.

De dagvaarding toont namelijk aan dat het beleid verantwoord noch consistent is. Uit de adviezen blijkt überhaupt niet van enig onderzoek naar andere mogelijkheden en de proportionaliteit van de maatregelen. Het kort geding was de aangewezen mogelijkheid om hierover duidelijkheid te scheppen. De Staat heeft ervoor gekozen geen verweer te voeren.

“Uit de adviezen van het OMT volgt dat deze deskundigen nog altijd maatregelen noodzakelijk achten om het coronavirus te bestrijden”, aldus de rechter. Hoe deze experts tot hun adviezen komen, vindt Hoekstra niet belangrijk. Het vonnis is daarmee opgebouwd uit cirkelredeneringen en retoriek. Uit het feit dat er economische compensatiemaatregelen getroffen zijn, blijkt volgens de rechter van een proportionaliteitsafweging. Over de sociale, menselijke en maatschappelijke schade als gevolg van de maatregelen zwijgt het vonnis.

Wel erkent de voorzieningenrechter noodgedwongen dat COVID-19 niet dodelijker is dan de griep. Aanvankelijk verzweeg de Staat dit cruciale gegeven ter zitting. De rechter verbindt echter geen consequenties aan deze misleiding. Ook voor het beleid heeft dit geen gevolgen. Het risico op een overbelasting van het zorgsysteem zou immers nog steeds bestaan ook al is de sterfte vergelijkbaar met die van de griep. Dit blijkt volgens de rechter uit de adviezen van de deskundigen.

Evenmin ziet Hoekstra een probleem in de grondrechtenbeperking middels noodverordeningen.  Hiermee gaat Hoekstra in tegen het systeem van de Grondwet en de mening van rechtsgeleerden. De rechter prijst de Staat dat aan een noodwet gewerkt wordt. Door de grote kritiek is deze wet vertraagd. Het is daarmee kennelijk niet aan de Staat te wijten dat de noodverordeningen nog langer van kracht blijven.

Dat de PCR-test niet betrouwbaar is en daardoor niet aangetoond kan worden of het virus nog daadwerkelijk in Nederland te vinden is, vindt Hoekstra evenmin bezwaarlijk. Zolang er nog wekelijks mensen met coronaverschijnselen in de ziekenhuizen opgenomen worden en overlijden, mag de Staat haar beleid voortzetten. Dit is een merkwaardige redenering. De Staat ontwricht de gehele samenleving met maatregelen op basis van een aanname dat het virus er nog is. Dit terwijl de ziekenhuizen leeg zijn en niet aangetoond is dat nog steeds mensen met het virus overlijden.

Het behoeft weinig fantasie om te begrijpen waarom deze rechter twee dagen voor de zitting naar voren werd geschoven. Hoekstra heeft zich overtuigend van haar taak gekweten maar bewijst de rechtspraak geen dienst. Dit vonnis is vernietigend voor de geloofwaardigheid en vormt een nieuw dieptepunt in de crisis van de rechtsstaat.

Desondanks zijn er lichtpuntjes. Het vonnis bevestigt dat  COVID-19 niet dodelijker is dan de griep en dat de PCR-test mogelijk niet betrouwbaar is. Dit zijn belangrijke punten uit de dagvaarding. Viruswaanzin tekent beroep aan.

Meer lezen

Vonnis kort geding Viruswaanzin

 

 

Meld je aan voor de nieuwsbrief