Welke betekenis heeft rioolwateronderzoek voor het monitoren van het Coronavirus?

De haken en ogen aan het meten van virale deeltjes in rioolwater

Door Redactie Viruswaarheid

Naar aanleiding van een reactie over de metingen die in het rioolwater gedaan worden, hebben we een aantal zaken uitgezocht. In die reactie werd het statement gemaakt dat als de concentratie virusdeeltjes met een bepaalde factor oploopt, dan ook het aantal besmettingen met die factor oploopt. Deze redenering klopt echter niet en is onnodige bangmakerij. Immers, niet iedereen scheidt evenveel virus uit als hij/zij besmet is. En de mensen die reeds besmet zijn, zullen ook nog virusdeeltjes blijven uitscheiden. Maar wat kunnen we dan wel zeggen?

Het riool als bloedsomloop

Het rioleringssysteem kan vergeleken worden met een bloedsomloop. Iedere afzonderlijke toiletaansluiting levert ontlasting, urine en soms ook andere lichaamsvochten die virus kunnen bevatten. In het riool zelf treffen we diverse obstakels en andere troep, naast de potentiële virusdragers. Ook zal de stroming hoogst variabel zijn. Deze riolen komen uiteindelijk uit bij de zuivering. In de buurt van deze zuiveringsinstallaties vindt ook de monstername plaats.

Beïnvloedende factoren

De aanvoer van virale deeltjes in het riool verloopt niet volgens een continu proces. Er zijn veel factoren die de concentratie aan virale deeltjes kunnen beïnvloeden. Om te beginnen weten we niet in welke tijdspanne al het water in het riool gezuiverd is. Ook is het onduidelijk hoe lang viraal dna meetbaar blijft in het riool. In Italië lijken ze in monsters van november 2019 nog succesvol dna aangetoond te hebben.

Dit betekent in ieder geval dat de virale concentratie stapelt vanaf de bron, en afneemt bij de zuivering, waarbij de stapeling in elk geval sneller verloopt dan de zuivering.

We kunnen de bron van de infecties niet herleiden, en dus ook niet correct duiden hoeveel bronnen er zijn.

Het merendeel van de virale uitstoot is afkomstig van faeces. Het virus is dan ingesloten in een klomp van afvalproducten en komt hierdoor niet acuut vrij in de vloeistofstroom, maar wordt vrijgegeven in de afzonderlijke degeneratiesnelheden van de uitwerpselen. Deze snelheden kunnen hoogst variabel zijn door verschil in consistentie van de faeces, de flow snelheid en obstakels die de degeneratie bevorderen. De virale deeltjes titer (hoogste verdunning waarin de stof nog werkzaam is, red.) is dus helemaal niet homogeen verdeeld over het rioleringssysteem. Door stapeling zou de titer het hoogst zijn nabij de zuiveringsinstallaties alwaar ook de monstername plaatsvindt.

Daarnaast beïnvloeden de volgende zaken ook de titer:

– Regen
– Watergebruik
– Wisselende bezettingsgraad van riool gebruikers (vooral in toeristische gebieden)
– Aantal geïnfecteerde mensen
– Verschil in infectiegraad tussen de verschillende mensen
– Mogelijke te besmetten rioolbewoners (nertsen zijn immers ook te infecteren)
– Contaminatie met meetbare bijproducten.

Conclusie

De metingen in het riool geven vooral een beeld van de voortdurende natuur van een infectiehaard. En alleen bij extreme toenames van virusdeeltjes kunnen deze toegedicht worden aan nieuwe infecties.
Als de frequentie van monstername toeneemt, kan er enigszins gecorrigeerd worden op een deel van de secundaire invloeden, maar niet genoeg om de mate van nieuwe infecties te schatten. Rioolwateronderzoek kan wel indicatief gebruikt worden als signalering om andere zaken nauwlettender in de gaten te houden, maar die behoren toch al goed gemonitord te worden. De belangrijkste waarde is het historisch terug kunnen kijken.

Kortom, rioolwateronderzoek is geen degelijke parameter om risico’s mee aan te kunnen geven ten aanzien van het Coronavirus, tenzij er een heel extreme uitschieter is.

Meld je aan voor de nieuwsbrief