DutchEnglishFrenchGerman

Het verdrag van Siracusa

Door Martina Groenveld

Daar Viruswaarheid inmiddels 12 rechtszaken verder is en tot op heden de Staat “Card Blanche” heeft gekregen van de Rechtspraak zullen wij verdere mogelijkheden om ons te beroepen op het Verdrag van Siracusa.

Dit verdrag is afgelopen twee zittingen in ons pleidooi aangekaart.

De American Association for the International Commission of Jurists (AAICJ) heeft lang opgemerkt dat een van de belangrijkste instrumenten die regeringen gebruiken om de fundamentele rechten en vrijheden van volkeren te onderdrukken en te ontkennen, de onwettige en ongegronde verklaring van staat van beleg is…een noodtoestand. 

Heel vaak worden deze maatregelen genomen onder het voorwendsel van het bestaan ​​van een “openbare noodsituatie die het leven van de natie bedreigt” of “bedreigingen voor de nationale veiligheid”.

Het misbruik van toepasselijke bepalingen die regeringen toestaan ​​om bepaalde rechten in het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten te beperken en ervan af te wijken, heeft geleid tot de noodzaak van een nader onderzoek van de voorwaarden en gronden voor toegestane beperkingen en afwijkingen om een uitvoering van de rechtsstaat. 

De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties heeft herhaaldelijk het belang benadrukt van een uniforme interpretatie van de beperkingen van de rechten die in het Verdrag zijn verwoord.

Met dit in gedachten startte de AAICJ een colloquium bestaande uit 31 vooraanstaande experts op het gebied van internationaal recht, gehouden in Siracusa, Italië, in het voorjaar van 1984. Deze bijeenkomst, de eerste in zijn soort, werd mede gesponsord door de Internationale Commissie van Juristen , het Urban Morgan Institute for Human Rights en het International Institute of Higher Studies in Criminal Sciences. 

Nederland was 1 van de pioniers van dit colloquium, namelijk met afvaardiging van Paul Joan George Kapteyn.

Kapteyn werd in 1928 in Laren geboren als zoon van M.J.P Schröder en Paul Kapteyn. Zijn vader zou later PvdA-politicus worden in de Eerste Kamer en in de voorlopers van het Europees Parlement. Kapteyn behaalde in 1950 een Master in de Rechten en in 1960 een Doctor in de Rechten aan de Universiteit Leiden.

Zijn proefschrift ging over de Gemeenschappelijke Vergadering van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal tussen 1952 en 1958, zijn vader diende in die periode in die instelling. Daarna werkte hij tussen 1960 en 1963 als ambtenaar bij het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken. Tussen 1963 en 1975 werkte hij als hoogleraar Recht van Internationale Organisaties aan de Universiteit Utrecht en vervolgde hij diezelfde functie aan de Universiteit Leiden. Hij werkte maar kort aan de Universiteit Leiden, aangezien hij in november 1976 werd benoemd tot lid van de Raad van State der Nederlanden.

In 1980 werd Kapteyn lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.
In 1990 stapte Kapteyn over naar Europees recht en tot 2000 was hij rechter bij het Europese Hof van Justitie [3]. Hij volgde Thijmen Koopmans op als de Nederlandse rechter, hij werd zelf opgevolgd door Christiaan Timmermans. Na zijn terugkeer in Nederland was hij tussen 2000 en 2005 hoogleraar Europese Studies (Ynso Scholten hoogleraar) aan de Universiteit van Amsterdam.

Met de ondertekening verklaart men overwegend dat, in overeenstemming met de principes die zijn afgekondigd in het Handvest van de Verenigde Naties, de erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de menselijke familie de basis is van vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld, erkennend dat deze rechten voortvloeien uit de inherente waardigheid van de menselijke persoon, erkennend dat, in overeenstemming met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het ideaal van vrije mensen die burgerlijke en politieke vrijheid genieten en vrij zijn van angst en behoeftes alleen kan worden bereikt als er voorwaarden worden gecreëerd waaronder een ieder ook zijn burgerlijke en politieke rechten kan genieten zoals zijn economische, sociale en culturele rechten, gelet op de verplichtingen van staten krachtens het Handvest van de Verenigde Naties om universele eerbiediging en naleving van mensenrechten en vrijheden te bevorderen, zich realiseren dat het individu, dat plichten heeft jegens andere individuen en jegens de gemeenschap waartoe hij behoort, onder de verantwoordelijkheid valt om te streven naar de promotie en naleving van de rechten erkend in dit Verdrag…

Wanneer af te wijken in een openbaar noodgeval

  1. “Openbare noodsituatie die het leven van de natie bedreigt”
  2. Een staat die partij is, mag alleen maatregelen nemen die afwijken van zijn verplichtingen uit hoofde van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten op grond van artikel 4 (hierna “afwijkende maatregelen” genoemd) wanneer zij wordt geconfronteerd met een situatie van uitzonderlijk en feitelijk of onmiddellijk gevaar dat het leven bedreigt. van de natie. Een bedreiging voor het leven van de natie is er een die:
    • de gehele bevolking treft en hetzij het gehele grondgebied van de staat, hetzij een deel daarvan; en
    • een bedreiging vormt voor de fysieke integriteit van de bevolking, de politieke onafhankelijkheid of de territoriale integriteit van de staat of het bestaan ​​of de fundamentele werking van instellingen die onmisbaar zijn om de in het Verdrag erkende rechten te waarborgen en te beschermen;
    • Interne conflicten en onrust die geen ernstige en onmiddellijke bedreiging van het leven van de natie vormen, kunnen geen uitzonderingen op grond van artikel 4 rechtvaardigen.
    • Economische moeilijkheden op zich kunnen afwijkingsmaatregelen niet rechtvaardigen. 

Gezien het feit dat om de doelstellingen van het Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna het Verdrag genoemd) en de uitvoering van de bepalingen ervan verder te verwezenlijken, het passend zou zijn om het Comité voor de rechten van de mens, opgericht in deel IV van

het Verdrag (hierna het Comité genoemd) om, zoals bepaald in het huidige Protocol, berichten te ontvangen en te overwegen van personen die beweren het slachtoffer te zijn van schendingen van een van de rechten uiteengezet in het Verdrag, zijn het volgende overeengekomen:
Wij hebben de volgende artikelen uitgelicht

  1. Een Staat die Partij is bij het Verdrag die partij wordt bij dit Protocol, erkent de bevoegdheid van het Comité om berichten te ontvangen en in overweging te nemen van personen die onder zijn rechtsmacht vallen en die beweren slachtoffer te zijn van een schending door die Staat die Partij is van een van de genoemde rechten. in het Verbond. Het Comité zal geen mededeling ontvangen indien het een Staat betreft die Partij is bij het Verdrag en die geen Partij is bij dit Protocol;
  2. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 1, kunnen personen die beweren dat hun rechten opgesomd in het Verdrag zijn geschonden en die alle beschikbare binnenlandse rechtsmiddelen hebben uitgeput, een schriftelijke mededeling aan de commissie ter overweging voorleggen;
  3. Het Comité beschouwt elke mededeling in het kader van dit Protocol die anoniem is, of die het beschouwt als een misbruik van het recht op het indienen van dergelijke mededelingen of als onverenigbaar met de bepalingen van het Verdrag, als niet-ontvankelijk;
  4. 1. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 3, brengt het Comité alle mededelingen die hem ingevolge dit Protocol worden voorgelegd onder de aandacht van de Staat die Partij is bij dit Protocol waarvan wordt beweerd dat deze een bepaling van het Verdrag schendt;
    2. Binnen zes maanden legt de ontvangende Staat aan het Comité schriftelijke toelichtingen of verklaringen voor ter verduidelijking van de aangelegenheid en de eventuele corrigerende maatregelen die die Staat heeft genomen;
  5. 1. Het Comité beoordeelt mededelingen die ingevolge dit Protocol worden ontvangen in het licht van alle schriftelijke informatie die het door de betrokken persoon en door de betrokken Staat die Partij is ter beschikking is gesteld;
    2. Het Comité neemt geen mededelingen van een persoon in overweging, tenzij het heeft vastgesteld dat:
    a. Dezelfde kwestie wordt niet onderzocht in het kader van een andere procedure van internationaal onderzoek of schikking;
    b. Het individu heeft alle beschikbare middelen uitgeput;

    Dit is niet de regel wanneer de toepassing van de rechtsmiddelen onredelijk lang duurt.

    3. Het Comité houdt besloten vergaderingen wanneer het mededelingen uit hoofde van dit Protocol onderzoekt;
    4. Het Comité doet zijn standpunt toekomen aan de betrokken Staat die Partij is en aan de betrokkene. 

Als de mens niet gedwongen wil worden om als laatste redmiddel zijn toevlucht te nemen tot rebellie tegen tirannie en onderdrukking, is het essentieel dat de mensenrechten worden beschermd door de rechtsstaat.

– Universele verklaring van de rechten van de mens van de Verenigde Naties, 1948 


Bronnen:

http://www.icj.org/wp-content/uploads/1984/07/Siracusa-principles-ICCPR-legal-submission-1985-eng.pdf
https://en.wikipedia.org/wiki/Paul_Joan_George_Kapteyn 

Meld je aan voor de nieuwsbrief